X bezit een winkelpand dat kwalificeert als niet-woning in de zin van de Wet WOZ. X is het niet eens met de vastgestelde WOZ-waarde 2021. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af, mede onder verwijzing naar een volmacht waarin X zijn vorderingen uit hoofde van proceskosten en immateriële schadevergoeding overdraagt aan de BV van de gemachtigde. X stelt hoger beroep in.
Hof Amsterdam oordeelt dat de procesvoering van de gemachtigde van X in strijd is met de goede procesorde. De ingediende stukken bestaan uit algemene, weinig inhoudelijke, vaak inconsistente standaardstellingen die in vele andere zaken worden gebruikt. Het hof gaat daarom beperkt in op wat namens X is aangevoerd. X heeft recht op € 1000 immateriële schadevergoeding omdat de redelijke termijn met negen maanden is overschreden. Er is geen sprake van een een bijzonder geval waarin mag worden afgeweken van de regel dat de mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden niet van belang is voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade (HR 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122, V-N 2025/35.23). De beslissing over de WOZ-waarde blijft in stand. Het hoger beroep is gegrond.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 22
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Waardering onroerende zaken
Editie: 13 april
Informatiesoort: VN Vandaag