Hof Den Haag oordeelt dat X met de verkoop van een deel van de boerderij ROW heeft genoten. Volgens het hof had X namelijk het oogmerk om voordeel te behalen.

X ziet in 2017 een boerderij met diverse opstallen en een perceel van ongeveer 5300 m². De boerderij staat al geruime tijd te koop en heeft een agrarische bestemming. In 2018 koopt X de boerderij, uiteindelijk samen met zijn partner, voor € 510.000, met het doel om het perceel te splitsen en een woonbestemming te verkrijgen. De boerderij wordt op 21 december 2018 geleverd, diezelfde dag wordt de boerderij verkocht voor € 550.000 aan derden, en behoudt X met zijn partner het afgesplitste perceel. Op 29 maart 2023 verkopen X en zijn (inmiddels) ex-partner het perceel voor € 650.000. De inspecteur legt een IB-navorderingsaanslag 2018 op naar een ROW van € 160.000. X gaat in hoger beroep.

Hof Den Haag oordeelt dat X met de verkoop van een deel van de boerderij ROW heeft genoten. Volgens het hof had X namelijk het oogmerk om voordeel te behalen. Op het moment van het sluiten van de (voorlopige) koopovereenkomst in 2017 had X de intentie om een deel van het perceel voor een zodanig bedrag te verkopen dat hij daarmee de koop van de boerderij volledig zou kunnen financieren. Verder overweegt het hof dat op de boerderij een agrarische bestemming met een lagere waarde rustte, en dat met de splitsing in twee kavels met een woonbestemming redelijkerwijs een (substantieel) voordeel was te verwachten. De inspecteur maakt aannemelijk dat de werkzaamheden van X normaal actief vermogensbeheer te boven gaan. Het hoger beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.91

Instantie: Hof Den Haag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 4 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

17

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen