Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X als voormalig, niet laatste bestuurder en aandeelhouder geen bezwaar kan maken tegen aan X BV opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting.

X is enig aandeelhouder en bestuurder van Y BV. Y BV is samen met Z BV aandeelhouder en bestuurder van X BV. In 2016 draagt Y BV haar aandelen in X BV over en treedt af als bestuurder. Vervolgens houdt X BV in 2017 op te bestaan. De inspecteur legt in 2020 naheffingsaanslagen omzetbelasting 2015 en 2016 op aan X BV. X maakt in 2023 bezwaar op eigen naam. In geschil is of X als niet laatste bestuurder of aandeelhouder ontvankelijk is in bezwaar tegen aan X BV opgelegde naheffingsaanslagen.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat art. 26a AWR de rechtsmiddelbevoegdheid beperkt tot de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar. Omdat X deze hoedanigheid niet heeft, komt hem geen recht toe om op eigen naam bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslagen. Art. 6 EVRM en het evenredigheidsbeginsel leiden niet tot uitbreiding van deze kring, mede omdat X in de strafprocedure en in een eventuele aansprakelijkstellingsprocedure de juistheid van de aanslagen kan bestrijden. De rechtbank had het beroep ongegrond moeten verklaren in plaats van niet-ontvankelijk, maar deze misslag in het dictum geeft geen reden de uitspraak te vernietigen.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26A

Invorderingswet 1990 artikel 8

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 6

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Rubriek: Omzetbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 2 april

Informatiesoort: VN Vandaag

10

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen