De Albanese V.M. [Luevi] woont in Italië en is houder van een om gezinsredenen verleende verblijfsvergunning voor twee jaren. Deze verblijfsvergunning geeft haar tevens het recht om in Italië te werken. Het Italiaanse instituut voor de sociale zekerheid (INPS) weigert een uitkering te verstrekken aan V.M. die toekomt aan Italiaanse onderdanen die in Italië wonen en de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Het betreft een ‘zuivere bijstandsuitkering’ voor personen die zich in een precaire economische situatie bevinden. Ook onderdanen van derde landen die houder zijn van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen hebben recht op de uitkering. Nu V.M. niet over een dergelijke verblijfsvergunning beschikt, heeft zij volgens de INPS geen recht op de uitkering. De Italiaanse rechter vraagt zich af of de uitkering valt binnen de werkingssfeer van EU-Richtlijn 2011/98 en wendt zich tot het Hof van Justitie EU.
Het Hof van Justitie EU oordeelt dat Italië niet in strijd met het EU-recht handelt door een uitkering voor behoeftigen te weigeren aan een Albanese onderdaan die niet beschikt over een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Verder is er volgens het Hof van Justitie EU ook geen sprake van een ongelijke behandeling. Een burger van de EU kan zich hier in een vergelijkbare situatie namelijk alleen op beroepen als onderdaan van het gastland als zijn verblijf op het grondgebied van die lidstaat voldoet aan de voorwaarden van richtlijn 2004/38. Bij afwijking hiervan zouden onderdanen van derde landen gunstiger worden behandeld dan burgers van de EU.
Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rubriek: Sociale zekerheid algemeen, Sociale zekerheid bijstand
Editie: 9 maart
Informatiesoort: VN Vandaag