X is een commanditaire vennootschap die behoort tot een groep actief in de industriële sector. X houdt verschillende buitenlandse entiteiten. Y is gevestigd in land A en houdt indirect het gehele belang in X. Land A heeft geen Pijler 2 regels. Y is de uiteindelijke moederentiteit. X kwalificeert als een tussenliggende moederentiteit voor de minimumbelasting. Z houdt immateriële vaste activa (IM). X overweegt een herstructurering die bestaat uit drie transacties:
- De feitelijke leiding van Z wordt verplaatst van land A naar land B. Land B heeft de Pijler 2-richtlijn omgezet in nationale wetgeving;
- Vervolgens draagt Z het IM over aan V en W, waarin Z een 100%-belang houdt. Z, V en W zijn voor Pijler 2 gevestigd in land B. Er wordt geen resultaat behaald met deze transactie;
- Z draagt de 100%-belangen in V en W over aan haar indirecte aandeelhouder P, opgericht en gevestigd in land B.
Het verzoek van X ziet erop dat transactie 1 niet kwalificeert als een transactie ex art. 6.4 lid 3 Wet MB 2024, waarvoor een correctie naar het ‘arms’s lengthbeginsel’ vereist zou zijn. Transactie 2 kwalificeert als een transactie tussen groepsentiteiten, waardoor art. 6.4 lid 1 Wet MB 2024 niet van toepassing is. Tenslotte ziet het verzoek op transactie 3, dat een eventueel behaalde vermogenswinst wordt behandeld als uitgesloten vermogenswinst of -verlies onder art. 6.2 Wet MB 2024.
Wetingang:
Wet minimumbelasting 2024 artikel 6.2
Wet minimumbelasting 2024 artikel 6.4
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Fiscaal ondernemingsrecht, Internationaal belastingrecht
Regelgevende instantie: Belastingdienst
Editie: 20 februari
Informatiesoort: VN Vandaag