De Belastingdienst geeft voor 2025 en 2026 zekerheid vooraf over de toepassing van de Wet MB 2024 ten aanzien van de herstructurering van de groep waartoe X behoort gericht op de verkoop van onderdelen van de groep aan een derde.

X is een commanditaire vennootschap die behoort tot een groep actief in de industriële sector. X houdt verschillende buitenlandse entiteiten. Y is gevestigd in land A en houdt indirect het gehele belang in X. Land A heeft geen Pijler 2 regels. Y is de uiteindelijke moederentiteit. X kwalificeert als een tussenliggende moederentiteit voor de minimumbelasting. Z houdt immateriële vaste activa (IM). X overweegt een herstructurering die bestaat uit drie transacties:

  1. De feitelijke leiding van Z wordt verplaatst van land A naar land B. Land B heeft de Pijler 2-richtlijn omgezet in nationale wetgeving;
  2. Vervolgens draagt Z het IM over aan V en W, waarin Z een 100%-belang houdt. Z, V en W zijn voor Pijler 2 gevestigd in land B. Er wordt geen resultaat behaald met deze transactie;
  3. Z draagt de 100%-belangen in V en W over aan haar indirecte aandeelhouder P, opgericht en gevestigd in land B.

Het verzoek van X ziet erop dat transactie 1 niet kwalificeert als een transactie ex art. 6.4 lid 3 Wet MB 2024, waarvoor een correctie naar het ‘arms’s lengthbeginsel’ vereist zou zijn. Transactie 2 kwalificeert als een transactie tussen groepsentiteiten, waardoor art. 6.4 lid 1 Wet MB 2024 niet van toepassing is. Tenslotte ziet het verzoek op transactie 3, dat een eventueel behaalde vermogenswinst wordt behandeld als uitgesloten vermogenswinst of -verlies onder art. 6.2 Wet MB 2024.

Wetingang:

Wet minimumbelasting 2024 artikel 6.2

Wet minimumbelasting 2024 artikel 6.4

[Nieuwsbron]

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Fiscaal ondernemingsrecht, Internationaal belastingrecht

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 20 februari

Informatiesoort: VN Vandaag

33

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen