Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de Belastingdienst de bezwaren van X terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en de ambtshalve verzoeken terecht heeft afgewezen omdat ook deze te laat zijn ingediend.

X maakt in 2022 bezwaar tegen aanslagen IB/PVV 2012 t/m 2015.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de Belastingdienst de bezwaren van X terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en de ambtshalve verzoeken terecht heeft afgewezen omdat ook deze te laat zijn ingediend. X heeft pas in 2022 bezwaar gemaakt, maar de rechtbank stelt vast dat X wél eerder op de hoogte was van de aanslagen: hij woonde bij zijn ouders, ontving post en was aanwezig bij hoorgesprekken. Ook waren de aanslagen zichtbaar op MijnOverheid. De stelling van X dat zijn ouders post achterhielden en zonder zijn medeweten een gemachtigde inschakelden, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Daarom is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Voor de jaren 2013 en 2014 heeft de inspecteur een brief van X uit 2022 ten onrechte als bezwaar behandeld; deze brief moest worden aangemerkt als beroep tegen eerdere uitspraken op bezwaar. Ook die beroepen zijn echter te laat ingediend en niet-ontvankelijk.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 45aa

Algemene wet bestuursrecht 6:11

Algemene wet bestuursrecht 6:7

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 1 september

Informatiesoort: VN Vandaag

55

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen