In het ‘Eindejaarsbesluit 2017' is geregeld dat de maximale lijfrentepremieaftrek en dotatie aan de oudedagsreserve per 1 januari 2018 wijzigt.
Het ‘Eindejaarsbesluit 2017' regelt aanpassingen in de belastingwetgeving. Niet alle wijzigingen in het besluit gaan per 1 januari 2017 in. De maximale fiscale opbouwruimte voor een lijfrente en de maximale fiscale dotatie aan een fiscale oudedagsreserve (OR) wijzigt als gevolg van de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. De wijziging is opgenomen in het besluit maar treedt pas per 1 januari 2018 in werking.

Lijfrentepremieaftrek

Artikel 3.127, zesde lid, Wet IB 2001 bepaalt dat het premiepercentage voor de bepaling van de jaarruimte voor een lijfrente bij een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar, wordt verlaagd met 0,5%-punt. In 2018 wijzigt het premiepercentage van 13,8% naar 13,3%. Bij de bepaling van de jaarruimte speelt ook de jaarlijkse pensioenaangroei (factor A) een rol. Net als het premiepercentage wordt ook de vermenigvuldigingfactor van de jaarlijkse pensioenaangroei verlaagd als gevolg van een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar. In 2018 wijzigt de vermenigvuldigingsfactor van 6,5 naar 6,27. De verlaging voorkomt dat het in de tweede pijler opgebouwde pensioen via de imputatieregeling (6,27 x factor A) sterker zou doorwerken in de bepaling van de jaarruimte dan vóór de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd het geval is.
 
Jaarruimte 2017: 13,8% x premiegrondslag – ( 6,5 x factor A) -/- F
Jaarruimte 2018: 13,3% x premiegrondslag – (6,27 x factor A) -/- F
 
F = de toevoeging aan de oudedagsreserve in het voorafgaande jaar verminderd met de afname van de oudedagsreserve in het voorafgaande jaar.
 
Voorbeeld
Bij een premiegrondslag van € 62.000 en een jaarlijkse pensioenopbouw van
€ 732 bedraagt de lijfrentepremieaftrek:
2017: 13,8% x € 62.000 = € 8.556 - € 4.758 (6,5 x € 732) = € 3.798
2018: 13,3% x € 62.000 = € 8.246 - € 4.590 ( 6,27 x € 732) = € 3.656

Oudedagsreserve

Op grond van artikel 3.68, vierde lid, Wet IB 2001 wordt het dotatiepercentage voor de fiscale oudedagsreserve uit artikel 3.68, eerste lid, Wet IB 2001 bij een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar, verlaagd met 0,36%-punt. Het dotatiepercentage van de winst voor de fiscale oudedagsreserve wordt daarom met ingang van 1 januari 2018 verlaagd van 9,8% naar 9,44%.
 
2017: OR-dotatie 9,8%
2018: OR-dotatie 9,44%

Belang voor de praktijk

Sinds 2014 is de pensioenrichtleeftijd (= de rekenleeftijd voor maximale 2e pijler pensioenopbouw) gekoppeld aan de levensverwachting. Het gaat hier om de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting van de Nederlandse bevolking op 65-jarige leeftijd in het kalenderjaar dat is gelegen tien jaar na het kalenderjaar van wijziging. Op 31 oktober 2016 heeft het CBS dit cijfer voor het jaar 2028 gepubliceerd. Naar aanleiding hiervan is de pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2018 68 jaar. Omdat de maximale opbouw van lijfrente en oudedagsreserve is gekoppeld aan de fiscale opbouwruimte voor het 2e pijler pensioen wijzigt de lijfrentepremieaftrek en de OR-dotatie ook per 1 januari 2018.
 

Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Pensioenen, Inkomstenbelasting

11

Gerelateerde artikelen