Op melkveebedrijven worden dikwijls ook paarden gehouden. Dat maakt het houden van paarden over het algemeen nog niet gelijk tot een landbouwactiviteit. En dat kan consequenties hebben voor de toepassing van de landbouwvrijstelling, die de winst op landbouwgrond fiscaal onbelast laat. De combinatie paardenhouderij en landbouwvrijstelling is in die zin lastig.
De Belastingdienst gaat er over het algemeen vanuit dat paarden tot uw privévermogen behoren. Dat hoeft niet nadelig te zijn. Immers, als u dan een topveulen fokt of uw jonge hengst wordt goedgekeurd voor de fokkerij, roomt de Belastingdienst de verkoopopbrengst niet af. De kosten voor privépaarden zijn daarentegen niet aftrekbaar. Hobbymatige paardenhouderij kwalificeert niet als landbouw. 

Welke bedrijfsmatige paardenhouderij kwalificeert als landbouw?

Het fokken van veulens en de opfok tot een leeftijd van ca. 3 jaar kwalificeert als landbouwactiviteit. Dat geldt ook voor een paardenmelkerij en het inscharen van jonge paarden van derden. Gaan deze activiteiten de hobbysfeer te boven, dan is er sprake van een landbouwbedrijf. In dat geval zal de landbouwvrijstelling van toepassing kunnen zijn.
 
Wat niet als landbouwactiviteit gezien wordt:
  • een manegebedrijf
  • een handelsstal
  • een sport- en/of trainingsstal
  • een paardenpension e.d.
De winst die dit soort bedrijven behalen op grond, valt niet onder de landbouwvrijstelling en wordt dus belast op normale wijze.

Combinatie melkveehouderij en paardenhouderij 

Zolang u uw melkveehouderij combineert met als landbouw kwalificerende paardenhouderij, loopt de landbouwvrijstelling in principe geen gevaar. Problemen zijn uitdrukkelijk wel te verwachten als u uw melkveehouderij combineert met hobbymatige en/of niet als landbouw kwalificerende paardenhouderij. Voorwaarde voor toepassing van de landbouwvrijstelling is namelijk dat de grond voor 90% of meer moet worden aangewend in het kader van een landbouwbedrijf. De vraag is alleen: hoe moet dat percentage worden bepaald?

Bestemming ruwvoer bepalend? 

Op 16 oktober 2013 deed Gerechtshof Den Haag een uitspraak waaruit valt op te maken dat het gaat om de bestemming van het ruwvoer. Als het ruwvoer voor 90% of meer wordt opgevoerd aan en/of afgegraasd door het melkvee en de ‘landbouwpaarden', zou de landbouwvrijstelling van toepassing zijn. Dat klinkt aannemelijk, maar voor bijvoorbeeld melkveehouders die eigen ruwvoer verkopen – ongeacht aan wie – blijft de landbouwvrijstelling gewoon van toepassing. Is de bestemming van het ruwvoer dan wel de juiste maatstaf?

Feitelijk gebruik grond

Logischer lijkt het om te kijken naar het feitelijk gebruik van de grond; welke landbouwactiviteiten vinden daar precies plaats? Stel dat u pensionpaarden huisvest op uw melkveebedrijf. De ondergrond van de pensionstal en het erf eromheen bijvoorbeeld zijn dan niet meer in gebruik voor de melkveehouderij. Op de waardestijging van deze grond is de landbouwvrijstelling niet meer van toepassing. Wordt gekeken naar het feitelijk gebruik, dan zou de landbouwvrijstelling van toepassing moeten blijven voor uw weilanden, mits de pensionpaarden daar niet (of slechts zeer beperkt) geweid worden. Dat het eigen ruwvoer ook wordt gevoerd aan de pensionpaarden doet niet af aan het feitelijk gebruik. Het ruwvoer vormt immers gewoon een product van weidebouw, waarbij de bestemming er niet toe doet.

Wachten op de Hoge Raad

De voornoemde uitspraak van Gerechtshof Den Haag ligt onder vuur. Aan de Hoge Raad is de vraag voorgelegd of: de bestemming van het ruwvoer bepalend is; of dat er gekeken moet worden naar het feitelijk gebruik van de grond, bij de bepaling of die grond voor 90% of meer wordt aangewend voor het landbouwbedrijf. Het wachten is nu op antwoord. Tot die tijd blijft de combinatie paardenhouderij en landbouwvrijstelling lastig!
 

Bron: Alfa Accountants en Adviseurs

Informatiesoort: Nieuws

45