De bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet gaat voorlopig niet op de schop. Dit heeft het ministerie van Financiën laten weten naar aanleiding van een storm van protest tegen eerdere uitlatingen van staatssecretaris Wiebes van Financiën. Daarin zei hij voornemens te zijn om te bezien of kan worden volstaan met een lager vrijstellingspercentage of met een betalingsregeling.
Vorige week schreef Wiebes aan de Tweede Kamer dat, ondanks het feit dat de Hoge Raad niet tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid in de erf- en schenkbelasting, hij het voornemen heeft te bezien of volstaan kan worden met een lager vrijstellingspercentage of met een betalingsregeling. Dit mede omdat uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat in 70 procent van de gevallen de te betalen erfbelasting – in het geval geen sprake was geweest van een vrijstelling – uit de nalatenschap betaald had kunnen worden.
 
Na zware kritiek van onder meer ondernemerskoepel VNO-NCW is Wiebes hierop teruggekomen. Financiën heeft laten weten dat er geen voornemens zijn om de regeling nog deze kabinetsperiode aan te passen, zo schrijft het Financieele Dagblad vandaag. Financiën heeft dit desgevraagd aan de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie bevestigd.

Geen discriminatie

In de Successiewet is een vrijstelling opgenomen van 100 procent van de waarde van verkregen ondernemingsvermogen tot aan 1.045.611 euro en 83 procent van de waarde die boven dat bedrag uitkomt. Alleen degenen die ondernemingsvermogen erven of geschonken krijgen, hebben recht op die vrijstelling. 
 
In zijn uitspraken van 22 november 2013 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het onderscheid in de Successiewet tussen de belasting van particulier vermogen en ondernemingsvermogen niet in strijd is met het internationaal verankerde gelijkheidsbeginsel. De bedrijfsopvolgingsregeling berust op een keuze van de fiscale wetgever waarvan niet kan worden gezegd dat zij evident van redelijke grond is ontbloot. De wetgever heeft daarom met de regeling de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden. Daarom is geen sprake van een bevoordeling van de verkrijging van ondernemingsvermogen boven de verkrijging van overige vermogensbestanddelen die leidt tot discriminatie.

Bron: Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Schenk- en erfbelasting

0

Gerelateerde artikelen