De Belastingdienst beschikt niet over nieuw feit en mag daarom niet navorderen bij gedeeltelijk afzien van stamrecht.
Dat beslist Hof Den Haag (20 januari 2016, ECLI:NL:GHDH:2016:111). De zaak verloopt als volgt. Een man ontvangt in 1991 een aanzienlijke gouden handdruk van zijn werkgever. Hij bedingt een stamrecht van zijn eigen BV. In de door de Belastingdienst goedgekeurde stamrechtovereenkomst staat dat de man in het jaar waarin hij 65 wordt (2007) uitkeringen gaat genieten. In de BV is ook nog sprake van een pensioen in eigen beheer. Bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd doet de BV pensioenuitkeringen maar geen stamrechtuitkeringen. Wel wordt de stamrechtverplichting in eigen beheer gedeeltelijk afgeboekt zonder dit te verantwoorden in de aangifte vennootschapsbelasting.
 
De inspecteur legt in 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op over het belastingjaar 2007. Hij stelt dat de man het stamrecht in 2007 heeft prijsgegeven. De man is het hier niet mee eens en stelt dat er geen sprake is van een nieuw feit, noodzakelijk voor navordering.
 
Hof Den Haag constateert dat de inspecteur bij het vaststellen van de aangifte inkomstenbelasting niet heeft gekeken naar de aangifte vennootschapsbelasting. Als hij dat wel had gedaan, dan had hij de afname van de stamrechtverplichting kunnen zien. Daaraan had hij de conclusie kunnen verbinden dat (een deel van) de stamrechtaanspraak is prijsgegeven. Er is geen sprake van een nieuw feit. Het hof vernietigt de navorderingsaanslag.

Belang voor de praktijk

De motieven van belastingplichtige om zijn stamrecht (gedeeltelijk) prijs te geven en dit niet te laten verantwoorden in de aangifte vennootschapsbelasting blijven onduidelijk. In de praktijk kom je wel tegen dat een stamrecht-BV, bijvoorbeeld door tegenvallende beleggingen, niet over voldoende middelen beschikt om het stamrecht uit te keren. Dit zou een reden kunnen zijn om af te zien van een in de eigen BV gehouden goudenhanddrukstamrecht.
 
Afzien van een goudenhanddrukstamrecht heeft tot gevolg dat de stamrechtverplichting vrijvalt. Dit leidt tot winst in de stamrecht-BV. Meestal zijn door de tegenvallende beleggingen compensabele verliezen aanwezig zodat er per saldo slechts zelden sprake is van een heffing vennootschapsbelasting.
 
Heffing van inkomstenbelasting is niet aan de orde als het stamrecht niet voor verwezenlijking vatbaar is. De Belastingdienst heeft aan het begrip ‘niet voor verwezenlijking vatbaar' nadere invulling gegeven in Vraag & Antwoord 08-078 d.d. 160915. Ook kijkt de Belastingdienst naar transacties met de stamrechtgerechtigde in de vorm van een rekening-courant of lening die er op zouden kunnen wijzen dat het stamrecht feitelijk al is genoten.
 

Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Loonbelasting

51

Gerelateerde artikelen