De Belastingdienst neemt het standpunt in dat een conserverende aanslag weliswaar kan worden vastgesteld per inkomensbestanddeel, maar dat aan het deel dat ziet op de in eigen beheer gehouden ODV geen zwaardere voorwaarden mogen worden verbonden.

Het standpunt is verwoord in KG:207:2024:2 Conserverende aanslag inkomstenbelasting bij pensioenaanspraken. Aan de Belastingdienst is de situatie voorgelegd, waarin een belastingplichtige is geëmigreerd, en op grond van art. 3.83 lid 1 of 2 Wet IB 2001 een conserverende aanslag krijgt opgelegd. Een deel van die conserverende aanslag ziet op de oudedagsvoorziening (ODV) van de DGA, ondergebracht in zijn eigen BV. Een ander deel ziet op een pensioenaanspraak die is ondergebracht bij een verzekeraar. Deze pensioenaanspraken zijn in de conserverende aanslag niet als twee afzonderlijke bestanddelen opgenomen. Gevraagd wordt of het in dat geval toch mogelijk is per inkomensbestanddeel uitstel van betaling en zekerheid te verlangen. Verder wordt de vraag gesteld of de conserverende aanslag niet in strijd is met Europese regelgeving, meer specifiek met het recht op de vrijheid van vestiging van art. 49 VWEU.

De Belastingdienst beantwoordt beide vragen bevestigend. Het is mogelijk om bij een conserverende aanslag per onderdeel van een inkomensbestanddeel uitstel van betaling te verlenen en zekerheid te vragen. Ook zijn de bepalingen met betrekking tot het opleggen van de conserverende aanslag (art 25. lid 5 IW 1990 en art. 1e URIW 1990) deels in strijd met art. 49 VWEU.

Bij het verlenen van uitstel van betaling voor de conserverende aanslag kan de Nederlandse Belastingdienst op grond van art. 1e URIW 1990 eisen dat er een verzoek wordt ingediend tot uitstel van betaling en dat er voldoende zekerheid wordt gesteld. Deze eisen gelden echter niet als de pensioenaanspraak is ondergebracht bij een professionele verzekeraar. In onderhavig geval geldt de verplichting tot het indienen van een verzoek tot uitstel en de eis van zekerheidsstelling dus alleen ten aanzien van de ODV. De Belastingdienst heeft getoetst of dit in strijd is met art. 49 VWEU en concludeert dat dit inderdaad het geval is. Voor de in eigen beheer gehouden ODV mogen voornoemde eisen daarom bij het opleggen van de conserverende aanslag niet meer gesteld worden.

Belang voor de praktijk

Om te voorkomen dat de Nederlandse fiscus zijn claim verliest op pensioen- en lijfrenteaanspraken die in Nederland belastingvrij zijn opgebouwd, wordt bij emigratie van de aanspraakgerechtigde een conserverende aanslag opgelegd. Er wordt dan gedaan alsof de aanspraak wordt afgekocht op het moment van emigratie. De fiscale claim die hierdoor ontstaat, wordt niet meteen opgeëist maar uitgesteld naar de toekomst. Om de claim van de Belastingdienst veilig te stellen, wordt deze geparkeerd in een zogenaamde 'conserverende aanslag'.

Deze conserverende aanslag wordt alleen ingevorderd op het moment dat er iets wordt gedaan met de aanspraak dat tegen de Nederlandse regels ingaat, bijvoorbeeld doordat deze wordt afgekocht. Indien zich gedurende een periode van 10 jaar geen handeling voordoet die in strijd is met de Nederlandse wet vervalt de conserverende aanslag.

De conserverende aanslag is al veelvuldig onderwerp geweest in gerechtelijke procedures waarin de rechtvaardiging ervan aan de orde werd gesteld. Dit heeft er toe geleid dat de wettelijke bepalingen rondom de conserverende aanslag eerder zijn aangepast.

Bron: Legal & Tax Nationale Nederlanden

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Loonbelasting, Invordering

273

Gerelateerde artikelen