Goedkoper wonen kan tot gevolg hebben dat de waarde van de KEW/SEW/BEW hoger is dan de dan geldende vrijstelling. Deze situatie is al ondervangen in het besluit van 6 december 2014 en nu, via het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2017, in iets aangepaste vorm in de wet opgenomen.
Volgens de hoofdregel is de vrijstelling KEW/SEW/BEW gemaximeerd op het bedrag van de aanwezige eigenwoningschuld op het moment van uitkeren. Goedkoper wonen kan tot gevolg hebben dat een deel van de vrijstelling verloren gaat als de waarde in de KEW/SEW/BEW hoger is dan de nieuwe eigenwoningschuld. Om dit op te lossen is voorgesteld dat als het bedrag van de nieuwe eigenwoningschuld lager is dan het bedrag van de oude eigenwoningschuld het bedrag van de vrijstelling niet wordt gemaximeerd op het bedrag van de aanwezige eigenwoningschuld op het tijdstip van uitkering, maar op het bedrag van de eigenwoningschuld voor de vervreemde woning onmiddellijk voorafgaande aan de vervreemding.
 
Voorwaarde voor toepassing van de tegemoetkoming is dat de KEW/SEW/BEW uiterlijk binnen zes maanden na de vervreemding van de oude woning tot uitkering komt. Als de KEW/SEW/BEW na deze termijn tot uitkering komt, geldt de hoofdregel en wordt de vrijstelling gemaximeerd op het bedrag van de op het tijdstip van uitkering aanwezige eigenwoningschuld.

Belang voor de praktijk

Deze op het oog complexe regeling laat zich goed toelichten aan de hand van het volgende voorbeeld.
 
A verkoopt zijn eigen woning voor € 220.000. Hij had een eigenwoningschuld van € 150.000 waarvoor een KEW is afgesloten. De waarde van de KEW bedraagt op het moment van verkoop € 100.000.
 
A koopt vervolgens een nieuwe eigen woning van € 150.000 waarvoor hij een schuld van € 80.000 aangaat. Op basis van de hoofdregel zou bij uitkering van de KEW de vrijstelling worden gemaximeerd op een bedrag van € 80.000. Het rendement in het verschil tussen de uitkering (€ 100.000) en de maximale vrijstelling (€ 80.000) zou dan belast zijn.
 
Op basis van de tegemoetkoming wordt, indien de KEW uiterlijk binnen zes maanden na de vervreemding van de woning tot uitkering komt, de vrijstelling gemaximeerd op een bedrag van € 150.000 (de vóór vervreemding van de woning aanwezige eigenwoningschuld). Omdat de vrijstelling echter niet hoger kan zijn dan de feitelijke uitkering, geldt een vrijstelling van € 100.000 en is de uitkering volledig vrijgesteld.
 
A kan de KEW dus tot uiterlijk zes maanden na vervreemding van de woning geheel vrijgesteld tot uitkering laten komen. Hij heeft voldoende kapitaal opgebouwd in de KEW om zijn resterende eigenwoningschuld te kunnen aflossen. Kiest A er desondanks voor om de KEW door te laten lopen dan geldt bij latere uitkering de hoofdregel en is maximaal € 80.000 van die uitkering vrijgesteld.
 

Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Inkomstenbelasting

Dossiers: Prinsjesdag 2016

0

Gerelateerde artikelen