Een belastingplichtige geniet ten onrechte renteaftrek. De Belastingdienst vordert inkomstenbelasting na omdat de belastingplichtige te kwader trouw zou zijn. Van kwader trouw is volgens de rechtbank geen sprake. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen.

De zaak (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 december 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:6748) verloopt als volgt. Een echtpaar heeft een eigen woning. In 2008 kopen zij een nieuwe woning, die direct achter hun huidige woning ligt. Deze nieuwe woning wordt in 2009 gesloopt. Pas in 2016 is een start gemaakt met de bouw van een nieuwe woning op dat perceel. Vanaf 1 mei 2017 woont het echtpaar in de nieuwe woning. De man trekt de rente in verband met de financiering van de aankoop van de nieuwe woning af, onder meer over de jaren 2010 tot en met 2012. Over deze jaren legt de inspecteur navorderingsaanslagen inkomstenbelasting op. Hij corrigeert de genoten hypotheekrenteaftrek.

Navordering is in beginsel mogelijk binnen vijf jaar na afloop van het belastingjaar waarover de navordering plaatsvindt. Voor navordering moet de inspecteur over een zogeheten 'nieuw feit' beschikken. Dat wil zeggen, er zijn hem nieuwe feiten of omstandigheden bekend geworden op grond waarvan hij kan navorderen. Als alle feiten en omstandigheden hem al bekend waren, maar hij daar bij het opleggen van de aanslagen inkomstenbelasting niets mee gedaan heeft, kan de belastinginspecteur niet navorderen. Er is dan geen sprake van een nieuw feit. Op die hoofdregel is één uitzondering, namelijk als de belastingplichtige te kwader trouw zou zijn geweest. Volgens de inspecteur is daar sprake van. Als dat juist is, kan de inspecteur alsnog navorderen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt echter dat de man niet te kwader trouw is. Het is volgens de rechtbank niet aannemelijk dat de man ten tijde van het doen van de aangiften wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat hij onjuiste aangiften deed en dat hij die kans toen bewust aanvaardde. De man heeft veel eerder zeer onzorgvuldig gehandeld, maar niet willens en wetens onjuiste aangiften gedaan. Daardoor heeft de man niet te kwader trouw gehandeld. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen.

Belang voor de praktijk

In deze procedure heeft de man nog gesteld dat het aangekochte perceel grond een aanhorigheid bij zijn huidige woning/hoofdverblijf is. Daar ging de rechtbank niet in mee. Het aangekochte perceel grond is nooit bij de tuin getrokken van de bestaande woning. De feiten weerspraken de stelling van de man.

Van een woning in aanbouw was ook geen sprake. Na de sloop heeft de grond er jarenlang braak bij gelegen voordat er met de bouw van de nieuwe woning is gestart. Tot die tijd is er op grond van de wettekst geen sprake van een woning in aanbouw. Op grond van een besluit van de staatssecretaris kan de grond tot zes maanden voor de feitelijke start van de bouw aangemerkt worden als een woning in aanbouw (besluit van 26 november 2014 (nr. BLKB2014/1947M)). Die goedkeuring hielp de man hier natuurlijk niet. Deze goedkeuring is tegenwoordig ook terug te vinden in de wet (art. 3.111 lid 3 Wet IB 2001).

Lees ook de thema's Navordering en de Eigenwoningregeling.

Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting

  336
Gerelateerde artikelen