Bij de verdeling van de gemeenschap deelt de rechter de eigen woning met de daarop rustende hypothecaire schuld toe aan de man. De woning staat onder water. Rechters oordelen verschillend over de vraag of de vrouw haar deel van de onderwaarde moet vergoeden aan de man.

Dat blijkt uit twee uitspraken van verschillende rechtbanken.

De eerste uitspraak is van Rechtbank Midden-Nederland (31 oktober 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:5338). Deze zaak gaat als volgt. Man en vrouw zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. In 2014 gaan ze scheiden. Omdat ze het niet eens kunnen worden over de verdeling van de gemeenschap, wijst de rechter uiteindelijk de woning en de daarop rustende schuld toe aan de man. De onderwaarde wordt op € 30.000 geschat. De man stelt dat hij recht heeft op een vergoeding van € 15.000 van de vrouw.

De rechter is het daar niet helemaal mee eens en vindt het billijk om uit te gaan van de contante waarde. Er is immers niet direct sprake van een restschuld omdat de man heeft aangegeven dat hij nog zeker 10 tot 15 jaar in de woning wil blijven wonen. De rechter berekent de totale contante waarde (via www.berekenhet.nl) op € 20.000 waardoor de vrouw € 10.000 moet betalen aan de man.

De tweede zaak wordt beoordeeld door Rechtbank Gelderland (10 november 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:7010). De casus is soortgelijk aan de hiervoor geschetste situatie. De onderwaarde wordt op € 38.000 geschat en de man zou dan recht hebben op € 19.000 van de vrouw. De rechter vindt het billijk om het bedrag te verminderen. Daarbij houdt hij rekening met de volgende omstandigheden:

  • het echtpaar heeft afgesproken dat de vrouw haar studie beëindigt om te zorgen voor de kinderen;
  • de vrouw zit in de bijstand, heeft geen spaargeld en kan ook geen geld lenen.

De rechtbank oordeelt dat de vrouw € 9.500 moet betalen aan de man. Dat hoeft pas als ze uit de bijstand is en de aflossing wordt dan gesteld op € 100 per maand.

Belang voor de praktijk

Als scheidende partijen het niet eens kunnen worden over de verdeling van de gemeenschap, dan kan de rechter verdelen op grond van artikel 3:185 BW:

"(…) de rechter (…) stelt de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid met zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang".

In beide uitspraken matigt de rechter de schuld op grond van de billijkheid. Dat doet hij aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Het oordeel van de rechter is op voorhand onzeker. Scheidende partijen moeten zich dat goed realiseren voordat zij een geschil voorleggen aan de rechter. Echtscheidingsadviseurs wijzen daarom nadrukkelijk op het belang om in onderling overleg tot overeenstemming te komen. Een schikking voorkomt dat er geen grip meer is op de uitkomst van de procedure.
 

 

Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Huwelijksvermogensrecht

1

Gerelateerde artikelen