Op 2 juli 2019 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel temporisering verhoging AOW-leeftijd (35 223). Dit heeft onder meer gevolgen voor de vroegste en uiterste ingangsdatum van lijfrenten en goudenhanddrukstamrechten.

De wet treedt voor wat betreft de AOW-leeftijd in werking met ingang van 1 januari 2020. De AOW-leeftijd stijgt minder snel in verband met het Pensioenakkoord 2019. In 2020 en 2021 blijft de AOW-leeftijd staan op 66 jaar en 4 maanden. In 2022 stijgt de AOW-leeftijd naar 66 jaar en 7 maanden en in 2023 naar 66 jaar en 10 maanden. In 2024 wordt de AOW-leeftijd 67 jaar.

Stijging AOW-gerechtigde leeftijd  
Jaar AOW-leeftijd (huidige stijging) AOW-leeftijd geldend vanaf 1 januari 2020 Verschil
2019 66 jaar en 4 maanden 66 jaar en 4 maanden nihil
2020 66 jaar en 8 maanden 66 jaar en 4 maanden 4 maanden
2021 67 jaar 66 jaar en 4 maanden 8 maanden
2022 67 jaar en 3 maanden 66 jaar en maanden 8 maanden
2023 67 jaar en 3 maanden 66 jaar en 10 maanden 5 maanden
2024 67 jaar en 3 maanden 67 jaar 3 maanden
2025 e.v. Koppeling aan de levensverwachting Elk jaar levenswinst wordt vertaald in 8 maanden langer doorwerken en gemiddeld 4 maanden langer AOW-pensioen  

Belang voor de praktijk

Door de wijziging van de AOW-leeftijd wijzigt de vroegste, respectievelijk uiterste ingangsdatum van lijfrenten en goudenhanddrukstamrechten. Deze wetswijziging treedt echter pas op 1 januari 2020 in werking. In 2019 moet dus nog steeds uitgegaan van de huidige stijging van de AOW-leeftijd.

Vroegste en uiterste ingangsdatum tijdelijke oudedagslijfrente
De tijdelijke oudedagslijfrente (bancair of verzekerd) mag sinds 2014 op zijn vroegst ingaan in het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt. In 2019 geldt nog de huidige AOW-regeling. Voor bestaande aanspraken – de opgebouwde aanspraken per 31 december 2013 – geldt overgangsrecht. Op grond van dit overgangsrecht mogen de termijnen van deze lijfrenten op zijn vroegst ingaan in het jaar waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt. De uiterste ingangsleeftijd is 31 december, vijf jaar na het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd is bereikt. Door de wettelijke bedenktijd (artikel 3.133 lid 3 Wet IB 2001) kan de uiterste ingangsdatum nog een vol jaar opschuiven.

Vroegste en uiterste ingangsdatum levenslange oudedagslijfrente
Voor de bancaire ‘levenslange’ oudedagslijfrente heeft de afgenomen stijging van de AOW-leeftijd ook gevolgen. De minimumlooptijd van deze lijfrentevorm bedraagt in beginsel 20 jaar. Maar als de eerste lijfrente-uitkering plaatsvindt vóór het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt, dan moet de minimumlooptijd van deze lijfrente verhoogd worden met het aantal volle jaren dat de gerechtigde jonger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd ten tijde van het uitkeren van de eerste termijn.

De uiterste ingangsleeftijd is 31 december, vijf jaar na het jaar waarin de AOW-gerechtigde leeftijd is bereikt. Door de wettelijke bedenktijd (artikel 3.133 lid 3 Wet IB 2001) kan de uiterste ingangsdatum nog een vol jaar opschuiven.

Voorbeeld levenslange bancaire lijfrente
Huub is geboren op 2 april 1954. Op 2 augustus 2020 is hij 66 jaar en 4 maanden oud en daarmee AOW-gerechtigd. Huub besluit om zijn lijfrenterekening nu al te laten uitkeren in de vorm van een levenslange oudedagslijfrente. Hij kiest voor maandelijkse termijnen. De eerste uitkering krijgt hij op 15 augustus 2019. Deze lijfrentevorm kent in beginsel een minimale looptijd van 20 jaar. Maar omdat de eerste uitkering plaats vindt in het jaar voordat hij de AOW-leeftijd bereikt wordt de minimale looptijd vermeerderd met het aantal volle jaren dat ligt in de periode tussen het uitkeren van de eerste termijn (15 augustus 2019) en het moment waarop hij volgens de huidige stijging de AOW-leeftijd bereikt (2 december 2020). In deze periode zit 1 vol kalenderjaar. De minimale uitkeringsduur is daarom 20 jaar + 1 jaar = 21 jaar.

Rashid is precies 1 jaar jonger. Op 2 augustus 2021 is Rashid 66 jaar en 4 maanden oud en daarmee AOW-gerechtigd. Rashid besluit om zijn lijfrenterekening in 2020 te laten uitkeren in de vorm van een levenslange oudedagslijfrente (maandelijkse termijnen). De eerste uitkering krijgt hij op 15 augustus 2020. Deze lijfrentevorm kent in beginsel een minimale looptijd van 20 jaar. Maar omdat de eerste uitkering plaats vindt in het jaar voordat Rashid de AOW-leeftijd bereikt wordt de minimale looptijd vermeerderd met het aantal volle jaren dat ligt in de periode tussen het uitkeren van de eerste termijn (15 augustus 2020) en het moment waarop hij volgens de nieuwe regels de AOW-leeftijd bereikt (2 augustus 2021). In deze periode zit geen vol kalenderjaar. De minimale uitkeringsduur is daarom 20 jaar.

Vroegste en uiterste ingangsdatum goudenhanddrukstamrechten
Voor goudenhanddrukstamrechten geldt dat aan de ingangsdatum geen eisen zijn gesteld maar dat de uitkeringsfase niet later mag ingaan dan in het jaar waarin de AOW-leeftijd bereikt wordt. Door de werking van de redelijke termijn ligt de uiterste ingangsdatum op 30 juni van het jaar, volgend op het jaar waarin de AOW-leeftijd wordt bereikt.

Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden

Rubriek: Inkomstenbelasting, Pensioenen

Informatiesoort: Nieuws

  1011
Gerelateerde artikelen