In zijn Uitvergroot ‘Vrijheidsbijdrage’ (V-N 2026/11.0) besteedt Mark Nieuweboer aandacht aan de gelijknamige bijdrage die het nieuwe kabinet-Jetten wil gaan heffen van burgers en bedrijven ter bekostiging van de enorme opschaling van defensieuitgaven. Nieuweboer gaat in op de misleidende benaming van de bijdrage en op de draagkrachttechnische omissie die daaraan kleeft. In de onderhavige column richt ik mijn pijlen op een ander element, namelijk de gepresenteerde verdeling van de met die vrijheidsbijdrage beoogde opbrengst van € 5,1 miljard tussen burgers en bedrijven. Die voorgestelde verdeling is misleidend.

Volgens de budgettaire tabel die behoort bij het tussen D66, VVD en CDA gesloten Coalitieakkoord 2026-2030 moet die vrijheidsbijdrage vanaf 2028 in totaal structureel € 5,1 miljard opleveren. Daarvan moet € 3,4 miljard door burgers worden ‘opgehoest’ en € 1,7 miljard door bedrijven. De vrijheidsbijdrage voor huishoudens zal, althans dat is de bedoeling, worden vormgegeven als een beperkte toepassing van de in artikel 10.1 Wet IB 2001 opgenomen tabelcorrectiefactor. De hoogte van de tariefschijven en de heffingskortingen zullen derhalve niet volledig worden gecorrigeerd voor inflatie, waardoor mensen meer inkomstenbelasting gaan betalen. De vrijheidsbijdrage voor bedrijven is blijkens dat coalitieakkoord ingevuld als taakstellende verhoging van de arbeidsongeschiktheidsfonds-premie (Aof-premie). (NB: Dit betekent overigens dat ook de overheid zelf als werkgever een vrijheidsbijdrage zal moeten afdragen.) Het vertrekpunt dat dit uiteindelijk voor rekening van bedrijven komt, is evenwel vertekenend. Ik licht dat toe.

Hoewel bedrijven belastingplichtig kunnen zijn, denk bijvoorbeeld aan NV’s of BV’s die belastingplichtig (kunnen) zijn voor de vennootschapsbelasting en omzetbelasting, zijn zij op de keper beschouwd niet meer dan juridische constructen, waarin verschillende partijen – o.a. werknemers, vermogensverschaffers en afnemers – samenwerken (zie: J.L. Bouma, Leerboek der bedrijfseconomie (deel I), DELWEL Uitgeverij B.V. ‘s-Gravenhage 1991, p. 24). Bedrijven zullen als zodanig nimmer als uiteindelijke drager van belastinglasten fungeren. Of een BV nu € 1 mln of € 20 mln. vennootschapsbelasting betaalt, het zal er geen ‘nacht wakker van liggen’. Dit ligt anders voor een of meer van de bij die BV betrokken menselijke partijen; het zijn uiteindelijk altijd mensen die een belastinglast dragen in de vorm van bijvoorbeeld minder rendement (vermogensverschaffers), lager loon (werknemers) en/of hogere prijzen (afnemers). Een duidelijk voorbeeld van een dergelijke afwenteling vormde de van meet af aan omstreden en in 2023 afgeschafte verhuurderheffing. Het waren vooral woningcorporaties die deze heffing formeel ophoestten, maar het waren uiteindelijk onder andere hun (potentiële) huurders die feitelijk de lasten daarvan droegen in de vorm van huurverhogingen, uitstel of versobering van onderhoud, en/of verminderde nieuwbouw.

Terugkerend naar de voorgenomen vrijheidsbijdrage van bedrijven impliceert het voorgaande dat ook die bijdrage uiteindelijk ten laste zal komen van uitsluitend burgers. Recentelijk gaf De Rijk al een inkijkje in een mogelijke afwentelingsrichting van de van bedrijven te heffen vrijheidsbijdrage: een verhoging van de Aof-premie zou als onderdeel van de loonruimte kunnen worden beschouwd, waardoor er minder ruimte is voor loonstijgingen voor werknemers (zie: M. de Rijk, Brutaliteit, De Groene Amsterdammer, 5 februari 2026). In dat geval zou die vrijheidsbijdrage dan worden afgewenteld op werknemers, bovenop de van hen rechtstreeks te heffen vrijheidsbijdrage in de vorm van meer inkomstenbelasting. Tegen deze achtergrond is de recent door Tom Meus in het programma Buitenhof van 1 februari jl. gedane suggestie om voormelde € 5,1 miljard anders tussen burgers en bedrijven te verdelen tot op zekere hoogte zinledig. Uiteindelijk zal die € 5,1 miljard linksom (rechtstreeks) en rechtsom (via afwenteling) volledig neerslaan bij burgers, alleen is de vraag bij wie precies en in welke mate. En dit laatste is, vanwege die afwentelingsproblematiek, beslist geen makkelijk te beantwoorden vraag, ofschoon het door Nieuweboer geschetste draagkrachttechnische mankement wel iets zegt. Dat neemt niet weg dat beleidsmakers helder moeten zijn over wie belastingen uiteindelijk dragen; dat zijn mensen en niemand anders.

Rubriek: Belastingrecht algemeen

Informatiesoort: Column

15

Gerelateerde artikelen