Het is u vast wel eens overkomen. Hebt u gisteren net wat gekocht in een winkel, valt er vandaag een reclamefolder in de bus waarin een korting wordt aangekondigd op het door u gekochte product. En die korting hebt u niet gehad. Ongetwijfeld voelde u zich hier niet lekker bij. Nu, iets dergelijks is ook aan de hand bij de uitfasering van het pensioen in eigen beheer.

Over de per 1 april 2017 in werking getreden Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen is veel geschreven. Het parlementair proces van totstandkoming van deze wet verdiende al geen schoonheidsprijs. Het ging snel door het parlement en de ingevoerde wetgeving liet allerlei vragen onbeantwoord. Met vele vragen en antwoorden werd later getracht nog wat richting en duidelijkheid te creëren, maar tot op de dag van vandaag zijn er nog altijd zaken onduidelijk.

Graag wil ik ingaan op een onlangs verschenen V&A. Het betreft V&A 19-002 dat feitelijk ziet op het in 2017 gepubliceerde V&A 17-016. Dit gaat over een specifieke situatie waarin een werkgever-BV met de DGA (werknemer) een pensioen is overeengekomen. Het pensioen is in eigen beheer verzekerd. De DGA is in 2016 overleden. Na het overlijden zijn de partnerpensioenuitkeringen voor de partner van de DGA direct ingegaan. De partner wil de ingegane aanspraak op partnerpensioen afkopen. De vraag is wat de korting is die de nabestaande ontvangt. In 2017 was dit 34,5% van de waarde van het pensioen in eigen beheer per 31 december 2015.

De nabestaande krijgt in deze situatie volgens de Belastingdienst (zie V&A 17-016) maar een heel beperkte korting. De redenering hierbij was dat aangezien de DGA eind 2015 nog in leven was, de fiscale balanswaarde van de verplichting voor het af te kopen partnerpensioen op de eindbalans van 2015 veel lager was dan de afkoopwaarde van de aanspraak op partnerpensioen na het overlijden van de DGA. Hierdoor wordt de bij afkoop van het partnerpensioen te verlenen korting berekend over de lagere fiscale balanswaarde van de verplichting voor het partnerpensioen ultimo 2015. Let op, de waarde van het partnerpensioen ultimo 2015 is zo’n beetje te verwaarlozen (zeker ten opzichte van de totale waarde van het pensioen in eigen beheer). En de korting is dus nog veel minder! En daarmee is afkoop van een dergelijke verplichting niet echt aantrekkelijk.

Op het moment dat deze vraag en antwoord werd gepubliceerd fronsten mijn wenkbrauwen. Destijds dacht ik al dat dit toch niet waar kon zijn (zie ook mijn bijdrage in WFR 2017/140). Ik begreep de redenering. Ik begreep dat men dit zo heeft opgeschreven. Maar ik heb nooit begrepen dat men het ook heeft gepubliceerd! Het past wat mij betreft in de categorie dat je soms in een emotionele opwelling mailtjes tikt, maar deze toch maar niet verstuurt. En dat is dan maar goed ook. Dit antwoord had wat mij betreft dan ook nooit mogen worden gepubliceerd. De uitwerking is zo ongewenst en onrechtvaardig dat hierover meteen goedkeurend beleid had moeten komen. Daarbij gaat het om een handjevol en overigens uitermate pijnlijke situaties.

Uiteindelijk vindt de Belastingdienst/staatssecretaris dit nu ook. Overigens vond ook B. Schuurman van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) in 2017 dat de gevolgen onbedoeld hard leken te zijn en dat een beroep op de hardheidsclausule wel enige kans van slagen zou hebben (zie VFP 2017/98, p. 11). In V&A 19-002 is nu, eind juni 2019 (en later nog eens aangepast medio juli 2019), door het CAP gepubliceerd dat de geschetste situatie zich leent voor een tegemoetkoming op basis van de hardheidsclausule (artikel 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen) omdat er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard die aanleiding vormt voor een tegemoetkoming bij de bepaling van de in aanmerking te nemen afkoopkorting.

Een terechte tegemoetkoming

Maar toch. Ik besprak dit laatst met een collega. En we concludeerden dat er ongetwijfeld nabestaanden zijn die niet tot afkoop zijn overgegaan wegens de vraag en antwoord uit 2017. En nu blijkt dat afkoop (hoogstwaarschijnlijk) toch tegen een hogere afkoopkorting mag. Maar ja, de korting in 2019 is 19,5%, terwijl de korting in 2017 maar liefst 34,5% was. Een groot verschil dus van 15%, in het nadeel van de nabestaande partner. Wat mij betreft vergelijkbaar met de situatie dat u de in de folder genoemde korting niet krijgt op een zojuist door u aangeschaft product in de winkel.

Het zou de staatssecretaris dan ook sieren als hij voor deze uitermate in omvang beperkte club belastingplichtigen verder gaat in zijn hardheidsclausulebeleid dan nu gepresenteerd en afkoop in 2017 nog toestaat. Met de hoge korting van dat jaar (of met een korting in 2019 van 34,5%). Want het destijds ingenomen standpunt had eigenlijk al niet mogen worden gepubliceerd en nu achteraf is dat helder. Dit mag toch niet leiden tot nadeel voor belastingplichtigen?

Rubriek: Loonbelasting, Pensioenen, Inkomstenbelasting

Informatiesoort: Column

Carrousel: Carrousel

Focus: Focus

  1107
Gerelateerde artikelen