De kogel is door de kerk. In het coalitieakkoord 2026-2030 ‘Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland’ van D66, VVD en CDA staat dat de beoogde regeringspartijen voor box 3 kiezen voor een vermogenswinstsystematiek in plaats van een vermogensaanwassystematiek.

De Wet werkelijk rendement box 3 start per 1 januari 2028 met een vermogensaanwasbelasting voor alle vermogensbestanddelen, met uitzondering van onroerende zaken en aandelen in start-ups en scale-ups. Daarvoor geldt een vermogenswinstbelasting. Nu bij de ingang nog switchen naar een vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen is volgens de staatssecretaris van Financiën niet haalbaar. Het zou de invoering van de nieuwe box 3-wet op 1 januari 2028 in gevaar brengen. Heel stad en land is van mening dat een verder uitstel niet wenselijk is. Het zou de schatkist € 2,4 mld per jaar kosten.

Discussie over de vermogensaanwas- of vermogenswinstbelasting

In zijn Kerstarrest van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, V-N 2022/2.3, oordeelde de Hoge Raad dat box 3-heffing zoals die met ingang van 2017 luidde op stelselniveau in strijd was met het discriminatieverbod en het recht op ongestoord genot van eigendom in het EVRM respectievelijk EP. Er diende belastingheffing plaats te vinden over het werkelijke rendement en niet over het forfaitair bepaalde rendement.

Vrij snel daarna brandde de discussie los hoe men dat werkelijk rendement moest berekenen. Over de regel dat naast de reguliere voordelen ook het indirecte rendement, in de zin van de waardestijging van vermogensbestanddelen, tot de heffingsgrondslag behoort, is iedereen of nagenoeg iedereen het wel eens. Alleen luidt dan de vraag of die waardestijging elk jaar belast moet worden, en dan over het verschil tussen de waarde op 31 december en 1 januari van dat betreffende jaar, of pas later bij realisatie van die waardestijging. Het eerste heet vermogensaanwasbelasting (VAB), de tweede vermogenswinstbelasting (VWB).

De voorstanders van een VAB worden aangevoerd door dr. Aart Gerritsen van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Alleszins lezenswaardig is zijn factsheet van 15 januari 2025 genaamd “Een economisch perspectief op box 3: verleden en toekomst”. In dat document onderbouwt hij gedegen waarom een VAB economisch superieur is aan een VWB.
Tot de voorstanders van een VWB behoort prof.dr. Peter Kavelaars, eveneens verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Een dag eerder, op 14 januari 2025, schreef hij de minstens zo lezenswaardige factsheet “Verleden, heden en toekomst box 3”, waarin hij vanuit een wetenschappelijk perspectief juist de VWB als enige juiste wijze van belastingheffing over vermogensgroei ziet. Overigens is opmerkelijk is dat economen vaak pleiten voor de VAB, juristen daarentegen voor de VWB.

Aanvankelijk kozen de staatssecretarissen van Financiën, Marnix van Rij, Folkert Idsinga, Tjebbe van Oostenbruggen en tot en met vandaag de dag Eugène Heijnen, allen voor de VAB. In elk geval onder de Herstelwet box 3 voor de periode 2017-2022 en voor de Overbruggingswet box 3 voor de periode 2023-2027. Maar ook voor de ‘definitieve’ box 3-wetgeving vanaf 2028, verwoord in de Wet werkelijk rendement box 3, is de VAB de hoofdregel. De overheid ziet de jaarlijkse vermogensgroei als een draagkracht vermeerderende factor, waarover de fiscus belasting mag heffen.

Elk systeem heeft in de praktijk zo zijn voor- en nadelen

Het is beslist niet zo dat de ene systematiek hartstikke fout is, en de andere een schot in de roos. Beide systemen hebben voor- en nadelen. De VAB is in onze fiscale wetgeving wel een vreemde eend in de bijt. In box 1 en box 2 van de Wet IB 2001, dus eveneens in de Wet Vpb 1969, worden vermogenswinsten belast volgens de VWB. Er is zelfs in heel Europa geen enkel ander land dat bij particulieren belasting heft, hetzij een inkomstenbelasting, hetzij een vermogensbelasting, over de jaarlijkse vermogensaanwas.

Liquiditeitsproblemen

Een belangrijk bezwaar tegen de VAB is dat men tussentijds belasting moet betalen over een waardeaangroei die nog niet gecasht is. En dat kan liquiditeitsproblemen veroorzaken. Dat is zeker aan de orde als iemand veel belegt in illiquide of slecht renderende vermogensbestanddelen. Denk daarbij aan:

  • een vakantiewoning in eigen gebruik;
  • verpachte landbouwgronden;
  • op NSW-landgoederen gebouwde eigendommen. Voor de gronden zelf geldt een objectieve vrijstelling in box 3, maar niet voor eigendommen die daarop zijn gebouwd;
  • leegstaande verhuurde onroerende zaken;
  • werknemersparticipaties in box 3;
  • kapitaalverzekeringen in box 3; en
  • kleinere investeringen in familiebedrijven.

Als iemand naast illiquide of slecht renderende beleggingen ook banktegoeden heeft, of beursgenoteerde aandelen, dan is er feitelijk geen liquiditeitsprobleem. Een belegger in aandelen verkoopt simpelweg een paar van zijn aandeeltjes en kan daarmee zijn belasting betalen. Maar als iemand eigenaar van een NSW-landgoed is, wordt dat een stuk lastiger. Het is noch vanuit de eigenaar, noch vanuit de maatschappij wenselijk dat dat landgoed versnippert.

Maar ook al zou iemand genoeg liquide middelen hebben om over de nog niet gerealiseerde vermogensgroei van andere vermogensbestanddelen belasting te kunnen betalen, dan ontstaat de vraag of dat geen inbreuk is op het beoogde draagkrachtbeginsel en zo in strijd is met het discriminatieverbod en het recht op ongestoord genot van eigendom. Een rechtsvraag, waar ik geen antwoord op durf te geven.

De waardestijging blijkt lucht te zijn

Onder de VAB kan een situatie ontstaan waarbij in jaar n sprake is van een waardestijging, die in jaar n+1 weer verdampt. Dan heeft men in jaar n belasting moeten betalen over een winst die nooit is gerealiseerd.

In een systeem van onbeperkte verliescompensatie, zowel naar het verleden (carry back) als naar de toekomst (carry forward), hoeft dat geen probleem te zijn. Maar als er geen sprake is van een mogelijkheid tot verliescompensatie of alleen maar carry forward, kan dat erg onrechtvaardig uitpakken. Een aantal vermogensbestanddelen in box 3 is immers erg volatiel. Denk aan:

  • beursgenoteerde aandelen;
  • crypto;
  • vorderingen en schulden met een vaste rente door rentefluctuaties; en
  • beleggingsmetalen, zoals goud en zilver.

Het zal je maar gebeuren dat je in jaar n met je aandelenportefeuille een vermogenswinst maakt van € 100.000, waar je keurig 36% box 3-heffing over betaalt, en in jaar n+1 gaat de beurs onderuit. Die € 100.000 is verdwenen als sneeuw voor de zon. In jaar n+1 verkoop je vervolgens die aandelen, ter financiering van een nieuwe eigen woning, of een investering in je onderneming of je komt simpelweg te overlijden. Dan lijd je in jaar n+1 een verlies dat je niet meer kunt compenseren. Je betaalt dan belasting in jaar n over een winst die je nooit gerealiseerd hebt.

Lock-in effect

Een belangrijk nadeel van de VWB is het lock-in effect. Bij een burger met bijvoorbeeld een aandelenportefeuille kan een terughoudendheid ontstaan om aandelen te verkopen en daarvoor andere, betere aandelen terug te kopen. Want de verkoop leidt tot belastingheffing over de koerswinst sinds de aankoop. En dat betekent dat je minder kunt herbeleggen. Die terughoudendheid verstoort een vrij economisch handelen. Box 3 kent immers niet zoiets als een herinvesteringsreserve, zoals die in de IB-winstsfeer wel bestaat.

Nu valt dat aspect naar mijn bescheiden mening wel mee. Als mijn beleggingsadviseur Hans mij adviseert om fonds X te verkopen en daarvoor fonds Y terug te kopen, zal ik zijn advies toch opvolgen, ook al moet ik wat belasting betalen over de ‘boekwinst’ van fonds X. Ik vertrouw er dan op dat het toekomstig meerrendement van fonds Y dat nadeel gaat compenseren. Maar dat ik bij verkoop van fonds X een keer achter mijn oren krab, is evident.

Een bijkomend aspect van het lock-in effect is dat korte termijn beleggingen fiscaal gediscrimineerd worden ten opzichte van lange termijn beleggingen. Je beleggingsvolume bij lange termijn beleggingen is immers groter, want je hebt tussentijds geen cashdrain in de zin van belasting betalen. Ook dat is een marktverstorend element.

Opmerkelijk is dat het beoogde, nieuwe kabinet dat kennelijk juist wenselijk acht. In het coalitieakkoord staat letterlijk de passage opgenomen: “Daarnaast stimuleren we lange termijn beleggingen door het nieuwe box 3-stelsel op werkelijk rendement door te ontwikkelen naar een vermogenswinstsystematiek.” Kennelijk zien de beoogde regeringspartijen liever dat burgers op lange termijn dan op korte termijn beleggen. Een voor mij opmerkelijke bepaling.

Nu kun je het lock-in effect intomen door in box 3 twee schijven te maken, vergelijkbaar met de box 2-heffing. Dat kan ertoe leiden dat burgers liever tussentijds winst nemen (omdat ze dan steeds elk jaar tegen een lager tarief mogen afrekenen) dan het steeds maar vooruitschuiven van winstneming (met als gevolg een uiteindelijk hoger tarief).
Alleen dat is kennelijk op korte termijn in de nieuwe box 3-wet niet realiseerbaar, omdat het een ingrijpende structuurwijziging is die de invoering van de rendement box 3 vertraagt. Daarnaast is het beoogde kabinet ook niet van plan om een tweede belastingschijf in box 3 te introduceren. Het zou een progressie in box 3 impliceren.

Gespreide betaling

Maar “elk nadeel heb z’n voordeel”, luidt een beroemde uitspraak. Door elk jaar een beetje te moeten afrekenen over de waardeaanwas, voorkom je een hoge belastingaanslag ineens over het hele vervreemdingsvoordeel bij verkoop van het vermogensbestanddeel.
Die hoge aanslag is vooral vervelend als het vermogensbestanddeel wel fiscaal wordt geacht te zijn vervreemd, maar in werkelijkheid geen verkoopopbrengst oplevert. En dan bedoel ik niet alleen een verkoop waarbij de koopsom wordt schuldig gebleven, maar denk vooral aan situaties van overlijden of echtscheiding.

Oké, er bestaan allerhande betalingsfaciliteiten, zoals een kort uitstel van betaling van vier maanden en een betalingsregeling van twaalf maanden. Maar afgezien van de omstandigheid dat die doorgaans rentedragend zijn (met een invorderingsrente van thans 4,3%), kunnen die betalingsfaciliteiten volstrekt onvoldoende blijken te zijn.

Neem een overlijdenssituatie. Een ouder heeft ooit een vakantiewoning gekocht voor € 400.000. Een aantal jaren later is de waarde van de vakantiewoning gestegen naar € 500.000 en de ouder overlijdt. Dat brengt een afrekening met zich mee van 36% over € 100.000. De ouder draait zich om in zijn graf.
Of een echtpaar is gehuwd in gemeenschap van goederen. Ze zijn samen eigenaar van een vakantiewoning, wederom gekocht voor € 400.000. Een aantal jaren later scheiden ze van de echt en de boedel wordt verdeeld. De ene partij neemt de onverdeelde helft van de eigendom van de vakantiewoning van de andere partij over. Dat kost die andere partij 36% belastingheffing over diens helft van € 100.000. Je zou er bijna voor bij elkaar blijven. Dit keer niet vanwege de kinderen, maar vanwege de vakantiewoning.
Of een single is eigenaar van bovengenoemde vakantiewoning, ook weer gekocht voor € 400.000. Een aantal jaren later trouwt hij in gemeenschap van goederen. Dat kost ook die eigenaar weer 36% belastingheffing over de helft van de waardestijging van € 100.000. Dat verziekt toch wel behoorlijk het huwelijksfeestje.

Dit zijn bedragen, waar voornoemde invorderingsfaciliteiten veelal geen reële oplossing voor bieden. Wat wel een oplossing biedt, is het instellen van een doorschuiffaciliteit. Een doorschuiffaciliteit die ook in tal van andere fiscale regelingen bestaat, zoals in de overdrachtsbelastingsfeer, in de IB-winstsfeer en zelfs onder voorwaarden in de box 2-sfeer. Je kunt zelfs stellen dat het ontbreken in box 3 van een doorschuiffaciliteit bij overlijden en het inboedelen in of uitboedelen uit een huwelijksgoederengemeenschap uit praktische bezwaren maar ook vanuit een eenduidige fiscale wetgeving een omissie is.

Waardebepaling

De VAB vergt jaarlijks een waardering van alle vermogensbestanddelen. Dat zal voor beursgenoteerde effecten niet bezwaarlijk zijn, maar kan voor andere zaken alweer een stuk lastiger zijn. Die complexiteit is soms zelfs ondoenbaar en kostbaar voor een burger. Parallel daaraan evenzeer onuitvoerbaar en moeilijk te handhaven door de Belastingdienst. Nu bestaat dat probleem in de huidige box 3-wetgeving ook al, maar het belang van een deugdelijke waardebepaling stijgt als die direct van invloed is op de te belasten vermogensaanwas.

Hier gaan geheid praktische problemen ontstaan als het gaat om de waardering van onder andere:

  • vorderingen en schulden met een vaste rente (met uitzondering van vorderingen en schulden vanaf 2028 tussen natuurlijke personen): je moet welhaast een expert zijn in financiële rekenkunde om de contante waarde te kunnen uitrekenen van een vordering of schuld met een vaste contractuele rente, als de actuele marktrente daarvan afwijkt. Zeker als de opeisbaarheid van die vordering of aflossingsverplichting van die lening ook nog eens afhankelijk is van een of meer levens, zoals bij een papieren schenking;
  • werknemersparticipaties: want wat is voor een werknemer de waarde in het economische verkeer van het bedrijf van zijn werkgever. Moet hij jaarlijks door een register valuator een DCF-berekening laten maken?
  • kleine investeringen in familiebedrijven;
  • intellectueel eigendom, zoals octrooien;
  • andere incourante vermogensbestanddelen.

Uitvoerbaarheid

Aanvankelijk was een belangrijk argument van de staatssecretaris van Financiën dat een VWB lastiger uitvoerbaar is, omdat de vereiste informatieaanlevering aan burgers en Belastingdienst onmogelijk, althans erg bezwarend was. Overigens een opmerkelijk standpunt, omdat nagenoeg alle andere Europese landen wel een vorm van VWB over spaar- en beleggingsvermogen kennen.
Maar los daarvan, inmiddels hebben banken aangegeven dat ze die vereiste informatie voor een VWB over twee jaar wel kunnen aanleveren, ook aan de Belastingdienst in het kader van de controleerbaarheid en handhaving.
Daarmee is een belangrijke hindernis voor de VWB weggenomen, omdat vooral bij beursgenoteerde aandelen de VWB forse administratieve verplichtingen voor de burger met zich zou meebrengen.

Budgettair aspect

In het besluitvormingsproces van de overheid die leidde tot de VAB, hebben Rijksfinanciën ook een belangrijke rol gespeeld. Invoering vanaf 2028 van een VWB voor alle vermogensbestanddelen, kost de staat in de eerste vijf jaar na invoering van de nieuwe box 3-wet cumulatief € 5 mld. En dan geldt de snoeiharde wet in Den Haag: als iemand wil switchen van VAB naar VWB, dient hij tegelijkertijd elders dekking te vinden voor die € 5 mld. Een dergelijke omvangrijke dekking impliceert veel impopulaire maatregelen, slecht voor de politieke achterban.

Daar staat tegenover dat een VWB wel een stabielere box 3-opbrengst met zich meebrengt. Je kunt enigszins stellen dat bij een VAB de koerswinst op de aandelenbeurs in belangrijke mate bepaalt wat de opbrengst voor de Belastingdienst wordt.
Die grilligheid veroorzaakt door het conjunctuurverloop is enerzijds voor een overheid voor het begrotingsproces niet aangenaam. Het is niet of nauwelijks mogelijk om vooraf te voorspellen wat bij een VAB de belastingopbrengst uit box 3 wordt.
Anderzijds werkt de correlatie tussen economische welgesteldheid en navenante belastingopbrengst macro economisch juist gunstig. Er wordt minder belasting geheven als de economie wat minder draait. Dat geeft weer een impuls aan de economie. En er wordt meer geheven als de economie goed draait. Box 3-heffing is bij een VAB procyclisch.

Conclusie

De strijd tussen de aanhangers van de VAB en de aanhangers van de VWB leek te zijn beslecht in het voordeel van de VAB. Ook in de definitieve box 3-wetgeving, de Wet werkelijk rendement box 3, is de VAB de hoofdregel. Alleen voor onroerende zaken en aandelen in start-ups en scale-ups wordt vanaf 2028 de VWB gehanteerd, waardoor sprake is van een hybride stelsel.

Maar ook dat lijkt weer geen lang leven te zijn beschoren. De thans voorgenomen Wet werkelijk rendement box 3 blijkt inderdaad een tussenstation te zijn, zoals de huidige staatssecretaris van Financiën al voorspelde. Er komt – maar op zijn vroegst pas per 2029 – zoals het er nu naar uitziet een nieuwe box 3-wet, versie 2.0. Het nieuw te vormen kabinet maakt een duidelijke keuze: een VWB voor alle vermogensbestanddelen. Ongeacht de dogmatische vraagtekens die je daarbij kunt zetten, is dat vanuit de praktijk een alleszins prettige beslissing.

Informatiesoort: Column

Rubriek: Inkomstenbelasting

Dossiers: Box 3

Focus: Focus

185

Gerelateerde artikelen