Onder de Nederlandse belastingverdragen gelden verschillende regels voor grensoverschrijdende dienstverlening. Onder het bestaande verdragsbeleid moeten de gebruikelijke verdragsregels worden toegepast. Dit betekent dat inkomsten uit grensoverschrijdende dienstverlening in beginsel als winst uit onderneming worden beschouwd, waardoor de bronstaat alleen dan een heffingsrecht heeft als het dienstverlenende lichaam over een vaste inrichting in de bronstaat beschikt.
Een aantal Nederlandse belastingverdragen – met name in relatie tot ontwikkelingslanden – bevat een zogeheten service-PE-bepaling op grond waarvan het verrichten van diensten in de bronstaat onder bepaalde voorwaarden leidt tot de aanname van een vaste inrichting. De bronstaat mag, als aan de voorwaarden is voldaan, de aan die vaste inrichting toe te rekenen nettowinst belasten. Daarnaast bevat een aantal oudere verdragen, waaronder de verdragen met Brazilië, Ghana en India, bepalingen die de bronstaat het recht geven bronbelasting te heffen over vergoedingen voor technische diensten. Nederland is tegenwoordig echter niet langer bereid een dergelijke brede bronheffing te accepteren. Art. 13 van het op 12 maart 2024 ondertekende nieuwe belastingverdrag met Bangladesh bevat weliswaar een artikel over vergoedingen voor technische diensten, maar lid 5 van dit artikel geeft de bronstaat alleen een heffingsrecht voor het geval dat de diensten in de bronstaat zijn verricht.
Uit de Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 14 maart 2024, 2024-0000201100, V-N 2024/19.13, komt naar voren dat de Nederlandse weigering om in te stemmen met een verdergaande bronstaatheffing het sluiten van belastingverdragen met ontwikkelingslanden vaak in de weg staat. De vraag is of deze benadering in het belang is van het Nederlandse bedrijfsleven. Bij afwezigheid van een belastingverdrag zullen vergoedingen voor technische diensten door de bronstaat overeenkomstig de nationale wetgeving worden belast, terwijl in Nederland slechts kostenaftrek resteert. Wanneer we kijken naar de ontwikkelingen met betrekking tot het VN-modelverdrag, dan zien we dat dit in 2017 is uitgebreid met art. 12A (fees for technical services) en in 2021 met art. 12B (income from automated digital services). Beide artikelen voorzien in een beperkt heffingsrecht voor de bronstaat. Inmiddels is binnen het UN Committee of Experts on International Cooperation in Tax Matters overeenstemming bereikt over het nieuwe art. 12AA (fees for services), dat art. 12A en 14 (inkomsten uit zelfstandige arbeid) integreert. Dit nieuwe art. 12AA leidt tot meer heffingsrechten voor de bronstaat en lijkt daarom haaks te staan op het Nederlandse beleid.
Gelet op de internationale ontwikkelingen en de bestaande problemen om nieuwe belastingverdragen met ontwikkelingslanden te sluiten, lijkt het gewenst om de huidige situatie en het huidige beleid zorgvuldig te analyseren en evalueren. Wil Nederland het huidige beleid continueren, dan zal het moeten accepteren dat uitbreiding van het verdragennet met ontwikkelingslanden zeer lastig zal zijn. Wanneer Nederland hecht aan uitbreiding van het verdragennet, dan lijkt een minder principiële houding geboden.
Informatiesoort: Uitvergroot
Rubriek: Internationaal belastingrecht