Een aangifte moet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden ingevuld en moet juist en volledig zijn. De wijze van aangifte doen wordt bij ministeriële regeling voorgeschreven. Het niet of niet juist nakomen van de aangifteplicht kan onder meer leiden tot omkering van de bewijslast, bestuursrechtelijke beboeting of strafrechtelijke vervolging.

Gelet op deze straffe gevolgen zou het aangiftebiljet de belastingplichtige een expliciete keuze moeten voorleggen in gevallen waarin de wet alternatieve routes biedt. Anders liggen misverstanden op de loer. Illustratief zijn de procedures van een Engelse en een Deense partieel buitenlandse belastingplichtige met een middellijk gehouden lucratief belang via een Luxemburgse holding (o.m. Hof Amsterdam 3 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1746, V-N 2026/6.3). Naast de keuze voor de partiële buitenlandse belastingplicht (art. 2.6 Wet IB 2001) speelt hier de keuze voor het in aanmerking nemen van het voordeel uit lucratief belang als aanmerkelijk belang (art. 3.95b lid 5 Wet IB 2001). Beide keuzes kunnen alleen impliciet worden gemaakt door slechts het resultaat van de keuze aan te geven. In hun aangiften vermeldden zij daarom niets ter zake van de doorgestoten voordelen uit lucratief belang, omdat inkomen uit aanmerkelijk belang, genoten uit een Luxemburgse vennootschap, voor hen als buitenlandse belastingplichtige niet belastbaar is. Rechtbank Zeeland-West-Brabant onderschreef deze laatste redenering, maar stelde de Deen in het ongelijk voor de jaren waarin hij zijn keuze voor dooruitdeling niet had geëxpliciteerd in de aangifte. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde recentelijk anders en Rechtbank Noord-Holland deed dit al eerder bij de Engelsman: er bestaat géén verplichting om deze keuze in de aangifte kenbaar te maken of toe te lichten. In hoger beroep werd de Engelsman alsnog in het ongelijk gesteld, maar dit was om andere redenen, zie V-N 2026/6.3. Eenstemmigheid was er over de mogelijkheid om de keuze voor de partiële buitenlandse belastingplicht op impliciete wijze te maken.

Het doet mij denken aan een gesprek dat ik enkele jaren terug had met een expat die gebruikmaakte van de 30%-regeling en steeds zelf zijn aangifte had ingediend. Hij was bekend met de partiële buitenlandse belastingplicht en had zijn vermogen dus niet opgegeven. Op mijn vraag waarom hij dan wel zijn Nederlandse banktegoeden in de aangifte had laten staan, antwoordde hij met een blik vol ongeloof. Hij had niet kunnen bedenken dat je door de inspecteur vooringevulde gegevens, die bovendien correct zijn, uit de aangifte dient te verwijderen om een rechtsgeldige keuze uit te brengen. Toch is dat hoe het werkt. Tussen de rechtsgeldige uitoefening van het keuzerecht en de werkwijze van een fiscaal fraudeur zit geen verschil: gewoon niets aangeven.

Niet alleen belastingplichtigen raken verward als een keuze onuitgesproken blijft. De initiële versie van het Kennisgroepstandpunt over de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan een partieel buitenlandse belastingplichtige legde bloot dat de opstellers kennelijk niet bekend waren met een al decennialang bestaande praktijk, waarbij de impliciete keuze voor deze faciliteit ook het (toegerekende) vermogen van de partner van de 30%-er omvat (V-N 2025/56.4).

Al deze verwarring is onnodig. Een keuzerecht moet expliciet worden uitgeoefend en het aangifteformat moet dat voorschrijven.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Inkomstenbelasting

54

Gerelateerde artikelen