Soms lees je iets, je leest het nog eens, en jawel, het staat er toch echt. Laatst zag ik een uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch (19/00363) waaruit bleek dat er werd geprocedeerd om (per saldo) € 0,85 aan invorderingsrente. Jawel, € 0,85. En de belastingplichtige werd in het gelijk gesteld.

De persoon in kwestie toucheerde een proceskostenvergoeding van € 525 en € 174 voor vergoeding van de griffierechten. Een bedrag van in totaal € 699 ten laste van de publieke middelen voor zoiets onbenulligs. Nog afgezien van het tijdsbeslag van deze zaak bij de diverse instanties. Overigens kan het te vergoeden bedrag nog wijzigen, want de belanghebbende heeft tegen deze uitspraak (ook nog) beroep in cassatie ingesteld. Het hof merkt in zijn uitspraak wel op het te betreuren dat de belastingplichtige deze zaak aan twee rechterlijke colleges heeft voorgelegd. Maar kennelijk kan dit zomaar in Nederland.

De eerste vraag die bij mij opkomt, is: heeft (in dit geval) de gemeente dit niet kunnen oplossen door middel van een (telefoon)gesprek met de ‘gedupeerde’ in kwestie? En de tweede vraag is: wat beweegt een belastingplichtige om zoveel onnodig beslag te leggen op de bestuurlijke en rechterlijke instanties die toch al veel meer zaken hebben dan zij aankunnen? Is het rancune jegens de overheid of is het puur winstbejag? Dat laatste wordt wellicht versterkt door kantoren die hun verdienmodel hebben gemaakt van het genereren van zo hoog mogelijke proceskostenvergoedingen en dwangsommen. Kantoren die zich in procedures uitsluitend richten op het niet-naleven van formele regels, waarbij het helemaal niet gaat om de materiële heffing. Kantoren die in voorkomende gevallen zelfs de gang van zaken frustreren om zoveel mogelijk ‘binnen te halen’ ten koste van de publieke middelen; geld van ons allemaal!

Natuurlijk is rechtsbescherming van burgers van groot belang. Maar is een geschil om € 0,85 een geval van noodzakelijke rechtsbescherming? Als er onvoldoende besef is bij de rechtzoekende dat het toch eigenlijk gewoon asociaal is om dit soort procedures te voeren of als de financiële verlokkingen te groot zijn, is het wellicht noodzakelijk paal en perk te stellen aan dergelijke zaken. Ik zou hier bijvoorbeeld denken aan wetgeving waarbij het (materiële) geschil om minimaal € 100 moet gaan en er bij geschillen over lagere bedragen de mogelijkheid van een GOO (Gericht op Oplossing)-procedure wordt geboden; zie de Uitvergroot van Hans Röben in V-N 2020/31.0. En dat er sancties worden opgelegd bij het weloverwogen frustreren van het verloop van een procedure. Of er wordt een doel-eis ingesteld: gaat het om het materiële geschil of om het formele geschil, gericht op de nevenbeslissingen?

Maar het zou natuurlijk beter zijn als wet- en regelgeving hiervoor niet nodig is. Aan het begin van de coronacrisis is in ons land de ‘intelligente’ lockdown ingevoerd. Deze hield, kort gezegd, in: (niet-)opereren vanuit gezond verstand. De overgrote meerderheid van Nederland heeft zich daaraan gehouden, in het algemeen belang. En dat heeft zijn vruchten afgeworpen. Kunnen we met ons allen dan ook ‘intelligent’ gebruikmaken van de beschikbare rechtsmiddelen, waarbij het materiële aspect voorop staat en met inachtneming van het bedrag dat met het materiële geschil is gemoeid?

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Informatiesoort: Uitvergroot

Carrousel: Carrousel

  569
Gerelateerde artikelen