Sinds de Voorjaarsnota 2023 publiceert het kabinet jaarlijks een lijst van opmerkelijke belastingconstructies. De vierde lijst verscheen recent op 27 maart jl. bij de Voorjaarsnota 2026. In 2027 vieren we het lustrum van deze traditie.
Ik zou het kabinet willen vragen om daarnaast jaarlijks een lijst van opmerkelijke Kennisgroepstandpunten te publiceren. Die lijst kan, in lijn met de lijst van opmerkelijke belastingconstructies, de verschillende standpunten beschrijven en ‘begroten wat de door de fiscus gewenste – maar in de ogen van de wetgever onbedoelde – opbrengst ervan is’. Vervolgens kan het kabinet wets- en beleidsvoorstellen doen om ‘het fiscale voordeel van het standpunt voor de inspecteur weg te nemen of te mitigeren’. Ook kan worden aangegeven als ‘de aanpak van bepaalde Kennisgroepstandpunten nog in ontwikkeling is’. Hieronder volgt een eerste aanzet van in het oog springende Kennisgroepstandpunten, gerangschikt met de hoogste nieuwe binnenkomer op nr. 1:
- Vrijstelling overdrachtsbelasting van art. 15 lid 1 onderdeel b Wet BRV 1970 niet (meer) van toepassing bij onvoltooide bedrijfsoverdracht na inbreng eerste fase van overdracht in BV (V-N 2026/7.17);
- Deelname aan beëindigingsregelingen veehouderijlocaties (Lbv en Lbv-plus) vóór voltooide bedrijfsoverdracht leidt tot terugname vrijstelling overdrachtsbelasting van art. 15 lid 1 onderdeel b Wet BRV 1970 (Vragen en antwoorden fiscale aspecten inzake Lbv en Lbv-plus 3 juli 2023);
- Art. 10 lid 1 onderdeel j Wet VPB 1969 ook van toepassing op coöperatie die aandelen toekent in verbonden lichaam (V-N 2024/10.8);
- Een aandeelhoudersmotief is geen zakelijk motief én ontgaanstoets bij juridische splitsing voor schenking die niet kwalificeert voor doorschuifregeling (V-N 2023/26.2.31);
- Genietingstijdstip bij uitruil brutoloon voor deelname aan virtueel aandelenplan of bonusplan is moment van uitruil (V-N 2025/38.8);
- Aanvraag van A1-verklaring in geval van werken in meerdere lidstaten vormt loon (V-N 2024/7.4);
- Toerekening gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan partieel buitenlandse belastingplichtige (V-N 2025/47.7 en V-N 2025/56.4).
Over het standpunt op nr. 1 zijn inmiddels Kamervragen gesteld, dus hopelijk verdwijnt dit snel van de lijst. De Belastingdienst is bovendien al ‘ingekeerd’ op standpunt nr. 7, waardoor dit in feite is vervallen.
Op dit moment kunnen dergelijke opmerkelijke Kennisgroepstandpunten leiden tot onverwachte (na)heffingen of navorderingen met belastingrente. Een inspecteur kan – en moet soms – bij de belastingrenteberekening rekening houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel (zie o.a. Bos-Schepers e.a., Renteberekening in belastingzaken (FM nr. 159). Wanneer een inspecteur een opmerkelijk Kennisgroepstandpunt inneemt, is dat naar mijn mening zó ingrijpend dat hij de belastingplichtige tegemoet zou moeten komen door de belastingrente te matigen. Dit is echter een opmerkelijke gedachtegang van mij, omdat zo’n matiging het eigen standpunt van de Belastingdienst ondermijnt.
Als uitvoerend orgaan mag de Belastingdienst niet op de stoel van de wetgever zitten. Daarom moet zij extra zorgvuldig zijn bij standpunten die nadelig uitpakken voor belastingplichtigen wanneer er de nodige twijfel bestaat over de uitleg van het recht. Het zou beter zijn als de Belastingdienst geen opmerkelijke standpunten inneemt die in het nadeel van belastingplichtigen uitpakken, maar in plaats daarvan de wetgever informeert wanneer een wetswijziging wenselijk is. Totdat het Ministerie van Financiën daarop reageert, zouden belastingplichtigen het voordeel van de twijfel moeten krijgen.