Wordt het Model A of Model B bij de implementatie van de CFC-maatregel van ATAD1 in de VPB? Deze vraag houdt de fiscale gemoederen flink bezig. Onlangs heeft staatssecretaris Snel van Financiën klare wijn geschonken. Het wordt niet Model A of Model B, maar een mix van beide modellen, ófwel Model C.

Wordt het Model A of Model B bij de implementatie van de CFC-maatregel van ATAD1 in de VPB? Deze vraag houdt de fiscale gemoederen sinds de politieke overeenstemming in de EU over de ATAD1 flink bezig. Het is geen geheim dat het Ministerie van Financiën niet overloopt van enthousiasme voor het strenge Model A. Dat in het consultatiedocument toch Model A was uitgewerkt, kwam vooral door de motie-Groot (zie V-N 2016/61.15). Met de kleinst mogelijke meerderheid wist het voormalige Tweede Kamerlid Groot (PvdA) bij de behandeling van het Belastingplan 2017 in het najaar van 2016 een motie aangenomen te krijgen, waarin werd opgeroepen tot de invoering van een ‘variant van Model A'. Het consultatiedocument presenteerde vervolgens een variant van Model A, waarvan menig fiscalist spontaan buikpijn kreeg. Twee, drie of nog meer dubbele heffingen over hetzelfde inkomen was hierbij niet uitgesloten. Bovendien ging het om een aanbouwvariant, waarbij Model A bovenop de bestaande regelingen voor laag belast passief inkomen in de vennootschapsbelasting zou komen. Onnavolgbare samenlopen waren het gevolg. Dit kon – linksom of rechtsom – geen serieus voorstel zijn.

Gelukkig heeft staatssecretaris Snel van Financiën onlangs klare wijn geschonken. Het wordt niet Model A of Model B, maar een mix van beide modellen, ófwel Model C. De staatssecretaris is van plan Model A specifiek te implementeren voor lichamen en vaste inrichtingen in een land met een laag statutair tarief of in een land dat is opgenomen op de (zwarte) EU-lijst van niet-coöperatieve landen. Geheel conform het systeem van Model A is de ‘substance-escape' geschoeid op een alles-of-niets-benadering. Voor de praktijk is het handig dat dit ‘substance'-vereiste concreet zal worden ingevuld. Voor het overige wordt volstaan met Model B dat enkel beoogt een juiste toepassing van de verrekenprijsregels te verzekeren. De staatssecretaris laat in het midden of hij die juiste toepassing van de verrekenprijsregels nog nader in de wet gaat vastleggen. Wat mij betreft zou dit geen overbodige luxe zijn, gelet op de ongelukkige wijze waarop kennelijk tot eind 2016 (!) de aan concernfinancieringsactiviteiten van multinationals toe te rekenen winst is bepaald ter ‘uitfasering' van het CFM-regime.

Is de keuze voor Model C verstandig? Ik wijs erop dat de invoering van CFC-wetgeving een kwestie is van fiscaal beleid, waarin allerlei weerbarstige dossiers en afwegingen een rol spelen, zoals:
– het belang van de deelnemingsvrijstelling voor het investeringsklimaat;
– het gebrek aan internationale consensus over de reikwijdte van CFC-wetgeving in actiepunt 3 van het OESO BEPS-project;
– het gebrek aan consensus in EU-verband over de reikwijdte van CFC-wetgeving in ATAD1;
– het door de EU Gedragscodegroep inzake schadelijke belastingconcurrentie opgestelde richtsnoer over ‘binnenkomende winstoverdrachten'; en
– de door de EU opgestelde lijst van non-coöperatieve landen met daarbij de suggestie aan EU-lidstaten om CFC-regels in te zetten als defensieve maatregel.

Naar mijn mening is de gemaakte keuze voor Model C een evenwichtig beleidscompromis waarmee de internationale aanvaardbaarheid van de deelnemingsvrijstelling – voorlopig – is gewaarborgd.

Rubriek: Europees belastingrecht, Vennootschapsbelasting

Informatiesoort: Uitvergroot

  1931
Gerelateerde artikelen