Het UBO-register blijft de gemoederen bezighouden. Niet zozeer het gegeven dat er een UBOregister is, maar de openbaarheid daarvan blijft veel ondernemers een doorn in het oog: waarom moet iedereen kunnen zien dat ik een belang heb van meer dan 25 procent in een onderneming? De algemene openbaarheid geeft een gevoel van onbehagen. De inbreuk op de privacy doet pijn.

Tijdens de totstandkoming van het UBO-register heeft de wetgever de kritiek op een algemeen openbaar UBO-register niet kunnen wegnemen. De EU-richtlijn schreef nu eenmaal algemene openbaarheid voor en deze was, zo vond men, noodzakelijk en proportioneel in de strijd tegen witwassen en terrorismefinanciering. Maar waarom voor dit laatste een beperkte openbaarheid voor 'de professionals', zoals opsporingsdiensten en Wwft-instellingen, onvoldoende was, bleef onduidelijk.

Na de invoering van het UBO-register is de kritiek niet verstomd. Sterker nog, deze heeft nu pas echt vorm gekregen. Zo wil Privacy First (een Nederlandse stichting die zich inzet voor het recht van privacy) via een procedure bij de Nederlandse rechter afdwingen dat deze bij het Hof van Justitie EU prejudiciële vragen stelt over de toelaatbaarheid van het UBO-register en over de algemene openbaarheid daarvan. Vergelijkbare vragen zijn recent al door een Luxemburgse rechter voorgelegd aan hetzelfde Hof.

Kritiek is er ook gekomen vanuit de European Data Protection Board (EDPB), een onafhankelijk orgaan waarin de Europese privacy-toezichthouders - voor Nederland is dat de AP - zijn verenigd. De EDPB roept de Europese Commissie op om hem eerder te betrekken bij nieuwe wetgeving ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering. Kennelijk laat de betekenis van privacy in de totstandkoming van deze wetgeving te wensen over. En dat geeft te denken over de toelaatbaarheid van wellicht de meest verregaande maatregel: de algemene openbaarheid.

Het meest verrassend is echter de rol van de wetgever zelf. Eind november 2020 is bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel 'Wet transparantie maatschappelijke organisaties' ingediend. Dit wetsvoorstel regelt een deponeringsplicht van jaarstukken voor niet-commerciële stichtingen. Deze stichtingen zijn tot nu toe vrijgesteld van het openbaar maken van hun balans en staat van baten en lasten. Het doel van deze deponeringsplicht is het voorkomen van (vooral) witwassen en terrorismefinanciering via deze stichtingen. De algemene openbaarheid van het UBO-register dient hetzelfde doel. Dus tot zoverre niets nieuws.

Maar dan komt het: de wetgever acht het voldoende dat genoemde jaarstukken niet algemeen openbaar zijn, maar alleen door bepaalde overheidsinstanties kunnen worden ingezien. Een algemene openbaarheid is hier kennelijk niet noodzakelijk en proportioneel. Dit plaatst de algemene openbaarheid van het UBO-register direct in een ander perspectief. De argumenten voor het opleggen van een openbaarmakingsplicht komen in belangrijke mate overeen: voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering alsmede een afschrikkende en preventieve werking die van openbaarmaking uitgaat. Maar in het ene geval worden deze argumenten dus gebruikt om een algemene openbaarheid te onderbouwen en in het andere geval juist een beperkte openbaarheid.

Deze ommezwaai van de wetgever zal de ondernemer moed geven. Het is nu aan de wetgever om binnen de EU voor het privacy-belang van de ondernemer te vechten. Want net zoals het opleggen van de verplichte algemene openbaarheid, zal de verandering ook daar vandaan moeten komen.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Europees belastingrecht, Fiscaal ondernemingsrecht, Civiel recht algemeen

  1398
Gerelateerde artikelen