“Ik begrijp niet dat die zaak naar de rechtbank is gebracht!”
Ik hoorde het afgelopen weken meermaals. Het ging steeds om Rb. Noord-Holland 8 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14333, V-N Vandaag 2025/2628. In geding was het antwoord op de vraag of bij het afzien van een ‘2%-woning’ een onvoorziene omstandigheid speelde, die zich heeft voorgedaan na het tijdstip van de verkrijging van de woning, én waardoor belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was de woning als hoofdverblijf te gebruiken.
Voor de details verwijs ik naar de uitspraak. Het gaat mij vanaf deze plek om de open normen (art. 15a lid 4 en 5 Wet BRV 1970) die in geding zijn. Daarvan was te voorzien dat dit bij gevoelige en persoonlijke situaties leidt tot netelige discussies. De bewijslast ligt namelijk bij belanghebbende (Kamerstukken II 2020/21, 35576, nr. 3, p. 24). Een verkrijger die te goeder trouw zijn verhaal doet, voelt wantrouwen en onmacht wanneer zijn verklaring niet (direct) wordt geaccepteerd. De heffer overdrachtsbelasting, die waakt voor eenheid en beleid in de uitvoering, moet wel doorvragen wil hij afzien van naheffing. De opdracht bij de tariefdifferentiatie was tenslotte om na te heffen in geval van onterechte toepassing van het verlaagde tarief of de startersvrijstelling (Kamerstukken II 2020/21, 35576, nr. 3, p. 24). Het kabinet koos bewust voor een niet-uitputtende opsomming van onvoorziene omstandigheden in de parlementaire geschiedenis, omdat zij “op voorhand geen omstandigheden wil uitsluiten” (Kamerstukken II 2020/21, 35576, nr. 6, p. 21). Allemaal goed bedoeld en alles onder het mom van waarborging van de menselijke maat.
De wetgever kijkt belanghebbende echter niet in de ogen terwijl laatstgenoemde de feiten en omstandigheden naar voren brengt die alleen hij kan aandragen. Het is zelfs mogelijk dat op het ene moment in een procedure belanghebbende niet slaagt in de bewijslast, maar op een ander moment wel. Zo is in V-N Vandaag 2025/2628 te lezen dat voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag namens belanghebbende een andere verklaring was afgelegd (spijt) dan ter zitting uitgesproken (herbeleving van een trauma). Met buikpijn bij het lezen van de uitspraak tot gevolg.
Hoe zijn dit soort uitspraken te voorkomen? Wat mij betreft door het schrappen van genoemde artikelleden. Toepassing van het verlaagde woningtarief is dan voorbehouden aan verkrijgers die de woning daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken. Is in een zaak niet aan deze basisvoorwaarde voldaan, dan gaat de heffer overdrachtsbelasting na of toepassing van het (verlaagde) woningtarief op het moment van verkrijging überhaupt reëel was. In bonafide gevallen vergt het geen kunst- en vliegwerk om offertes van aannemers, verhuisberichten, inschrijving bij de gemeente etc. op waarde te schatten. Resten twijfels, dan heeft de heffer de ruimte om in collegiaal overleg te bepalen tot welk punt hij gaat in zijn waarheidsvinding. Daarbij zich de vraag stellend of het nadelige gevolg van een naheffing van tienduizenden euro’s in dat specifieke geval – wegens niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden – onevenredig is aan het doel ervan. Juist die ruimte is nodig voor toepassing van de menselijke maat.
Informatiesoort: Uitvergroot
Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer