Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon geen onderdeel vormen van een gemeenschap in de zin van art. 3:166 BW, zodat de overdracht daarvan geen verdeling vormt en de vermindering van de heffingsgrondslag van de overdrachtsbelasting uitblijft.

X en Y zijn uit hoofde van de nalatenschap van hun moeder ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van dertig onroerende zaken met een totale waarde van € 12.494.405. X is enig aandeelhouder van X BV, Y van Y BV. Deze vennootschappen houden ieder vijftig aandelen in Z BV, die een onroerende zaak bezit ter waarde van € 1.800.000. X en Y sluiten een vaststellingsovereenkomst op grond waarvan X wordt overbedeeld met een waarde van € 948.869. Ook draagt X BV de aandelen in Z BV over aan Y BV. X doet vervolgens aangifte overdrachtsbelasting en betaalt € 75.909. In geschil is of de aandelen in Z BV tot dezelfde gemeenschap behoren als de dertig onroerende zaken.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de aandelen in Z BV geen onderdeel vormen van een gemeenschap in de zin van art. 3:166 BW, omdat X BV en Y BV ieder exclusief gerechtigd zijn tot specifiek genummerde aandelen in Z BV. Daarnaast houden X en Y de aandelen in X BV en Y BV niet gezamenlijk. De notariële akte kwalificeert de aandelenoverdracht bovendien als koop en verkoop. De overdracht geldt daarom niet als verdeling waarop art. 7 en art. 12 Wet BRV 1970 zien. X krijgt geen vermindering van de heffingsgrondslag en betaalt niet te veel overdrachtsbelasting.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 4

Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 7

Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 12

Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 166

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer

Editie: 19 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

10

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen