X woont samen met zijn ouders en broer. Tijdens een doorzoeking van hun woning en schuur in 2017 treffen opsporingsdiensten 75.800 sigaretten zonder accijnszegel aan. Er is geen vergunning voor een accijnsgoederenplaats. De inspecteur legt een naheffingsaanslag accijns van € 13.763 op aan X. In 2021 treffen opsporingsdiensten op het perceel behorend bij de woning ruim 1000 kilogram onveraccijnsde tabak aan, maar de inspecteur ziet af van een nieuwe naheffingsaanslag omdat X dan niet meer in de woning woont. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaart het beroep van X ongegrond en oordeelt dat het irrelevant voor het opleggen van de naheffingsaanslag is dat X niet betrokken is bij de handel in sigaretten.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat het begrip ‘voorhanden hebben’ ziet op feitelijke beschikkingsmacht zonder wetenschapsvereiste en dat de Accijnsrichtlijn een ruime kring van schuldenaren aanwijst. Omdat X in 2017 in de woning woont, een sleutel heeft en vrije toegang tot alle ruimten waar sigaretten liggen, is hij op zijn minst betrokken bij het voorhanden hebben. De inspecteur mag binnen de kring van accijnsschuldigen kiezen aan wie hij de naheffingsaanslag oplegt, zodat geen sprake is van willekeur, ook niet vergeleken met de latere tabaksvondsten. Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de inspecteur niet vooraf de verhaalsmogelijkheden te onderzoeken. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Wetingang:
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Accijns en verbruiksbelastingen
Editie: 5 februari
Informatiesoort: VN Vandaag