Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de pensioeninkomsten van het ABP als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking moeten worden aangemerkt waarvoor geen recht op de arbeidskorting geldt.

X, geboren in 1948, bouwt pensioenrechten op bij het ministerie van Defensie. In 2021 ontvangt hij van Stichting Pensioenfonds ABP een pensioenuitkering van € 41.921 en een AOW-uitkering van € 11.245. In zijn aangifte IB/PVV 2021 vermeldt X het ABP-pensioen als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, waarna een voorlopige aanslag wordt opgelegd. Een arbeidskorting van € 1983 wordt toegepast en een teruggaaf van € 921 volgt. Bij de definitieve aanslag merkt de inspecteur het pensioen aan als inkomen uit vroegere arbeid, laat hij de arbeidskorting achterwege en berekent hij belastingrente. In geschil is of X terecht stelt dat de ABP-pensioenuitkering inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking vormt zodat hij recht op arbeidskorting heeft.

Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de pensioeninkomsten van het ABP als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking moeten worden aangemerkt waarvoor geen recht op de arbeidskorting geldt. De rechtbank heeft terecht heeft verwezen naar de IB/PVV-procedure van X over het jaar 2016 waarin identieke geschilpunten aan de orde waren. De rechtbank heeft voor de motivering van haar uitspraak terecht verwezen naar de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 14 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1569, V-N 2020/40.1.2, en het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:291, V-N 2021/15.21.2, in die procedure. Het hoger beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 8.1

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 8.11

Instantie: Hof 's-Hertogenbosch

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 31 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

28

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen