Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X BV in 2019 geen liquidatieverlies in aftrek kan brengen. Volgens de rechtbank toont X BV namelijk niet aan dat de onderneming van Z Ltd. nog bestond op het moment van voeging in de fiscale eenheid.

Y houdt via Administratiekantoor A alle aandelen in Q BV. Y richt in 2005 Z Ltd. op en verkoop een jacht aan Z Ltd. In 2013 verkoopt Y zijn belang in Z Ltd. aan Q BV en wordt een vordering van Q BV op Z Ltd. (ter grootte van € 5,6 mln) omgezet in kapitaal. In 2015 richt A X BV op. X BV koopt vervolgens de aandelen Q BV en vormt daarna, per 1 april 2018, een fiscale eenheid VPB met Q BV. Z Ltd. wordt in 2019 ontbonden. In haar VPB-aangifte 2019 stelt X BV dat het liquidatieverlies van Z Ltd. van € 6,1 mln verrekend kan worden met de winsten van alle in de FE gevoegde maatschappijen in 2019. De inspecteur stelt dat het opgeofferde bedrag nihil is, zodat geen sprake kan zijn van een liquidatieverlies.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X BV in 2019, veronderstellend dat er een liquidatieverlies is, geen liquidatieverlies in aftrek kan brengen. Volgens de rechtbank toont X BV namelijk niet aan dat de onderneming van Z Ltd. nog bestond op 1 april 2018, het moment van voeging in de FE. De rechtbank overweegt vervolgens dat een liquidatieverlies dan alleen nog in aftrek zou kunnen worden gebracht voor zover de winst van de FE is toe te rekenen aan Q BV. Aangezien het resultaat van Q BV over 2019 € 343.000 negatief is, kan alleen al om die reden in 2019 geen liquidatieverlies in aftrek worden gebracht. De aanslag blijft in stand.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 15AB

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Vennootschapsbelasting

Editie: 3 februari

Informatiesoort: VN Vandaag

14

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen