Hof Amsterdam oordeelt dat X BV over de door C BV ontvangen inschrijfgelden diensten onder bezwarende titel verricht in Nederland en daarom omzetbelasting verschuldigd is. Ook het beroep op verplaatsing van de zetel en bedrijfsuitoefening buiten Nederland faalt.

A is enig aandeelhouder van X BV en start in 2008 een initiatief tegen een loterij om schadevergoedingen te krijgen voor misleidende mededelingen. X BV richt daartoe B BV, C BV en Stichting D op. B BV en C BV vormen met X BV een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Hof Den Haag oordeelt in 2013 dat de loterij misleidende mededelingen heeft gedaan. Na verwerping van de beroepen in cassatie sluiten meer deelnemers zich via de website aan en betalen inschrijfgeld aan C BV. In een overzicht van de boekhouder staat voor het eerste kwartaal over 2015 een omzet van € 2.362.001 van C BV, terwijl X BV in de aangifte € 472.400 opgeeft. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op. X BV gaat in hoger beroep.

Hof Amsterdam oordeelt dat tussen C BV en de aanmelders een rechtsbetrekking bestaat, waarbij de inschrijfgelden de tegenprestatie vormen voor een inspanningsverbintenis om een schadevergoeding van de loterij te verkrijgen. De dienst vormt een dienst onder bezwarende titel. Het hof verwerpt het beroep op verplaatsing van de zetel, omdat X BV onvoldoende stelt om te concluderen dat de bedrijfsuitoefening van C BV in 2015 is verplaatst buiten Nederland. Op grond van art. 6 lid 2 Wet OB 1968 vindt de dienst in Nederland plaats. Het hoger beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 4

Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 6

Instantie: Hof Amsterdam

Rubriek: Omzetbelasting

Editie: 27 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

16

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen