Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de participatie van X in Filmfonds C een bron van inkomen vormt voor hem. Hij maakt namelijk aannemelijk dat bij de investering in C de objectieve verwachting bestond dat daarmee redelijkerwijs voordeel kon worden behaald.

X participeert in 2014 in Filmfonds C. In zijn IB-aangifte 2014 brengt X, in verband met deze participatie, € 20.000 ten laste van zijn winst uit onderneming. In de jaren na 2014 geeft X circa € 4000 aan inkomsten uit het filmfonds aan. Volgens de inspecteur vormt de participatie echter geen bron van inkomen voor X. Hij corrigeert de aangifte.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de participatie van X in Filmfonds C een bron van inkomen vormt voor hem. Hij maakt namelijk aannemelijk dat bij de investering in C de objectieve verwachting bestond dat daarmee redelijkerwijs – ook buiten effecten van de fiscale stimuleringsregelingen – voordeel kon worden behaald. Daarbij is onder andere van belang dat de film een spektakelfilm is die zich op een groot en breed publiek richtte.

Verder is speciaal een regisseur aangetrokken die in dit genre internationaal ervaren is en heeft een buitenlandse distributeur zich aan deze film gecommitteerd. Het is dan ook aannemelijk dat redelijkerwijs mocht worden verwacht dat zich voor deze film een scenario van ‘medium high’ of hoger zou kunnen voordoen. Het hof merkt hierbij op dat het inherent is aan het vooraf toetsen of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting dat moet worden uitgegaan van ‘veronderstellingen’. Ook hecht het hof belang aan de verklaringen van X over het sterk achter blijven van de verdere inkomsten, zoals die uit DVD-verkopen en uit Buitenlandomzet. Het hof vermindert de aanslag.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.8

Rubriek: Inkomstenbelasting

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Informatiesoort: VN Vandaag

Editie: 23 februari

Focus: Focus

Carrousel: Carrousel

  271
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen