De inkortingsregeling kan het recht op overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden beperken. De beoordeling hiervan is afhankelijk van de hoogte van de verwervingskosten van de nieuwe woning, de afkoopsom KEW en de hoogte van de bestaande eigenwoningschuld (BEWS) op basis van art. 10bis.1 lid 3 Wet IB 2001. Dat staat in een standpunt van de Kennisgroep onroerende zaken.

In de casus heeft X een eigen woning met een BEWS en een kapitaalverzekering eigen woning (KEW). X koopt de KEW af. De afkoopsom valt volledig onder de vrijstelling KEW, want X lost de BEWS af en voldoet ook aan de overige voorwaarden. Hierna verkoopt X de woning en koopt daarna een nieuwe woning.

Op basis van drie stappen kan worden bepaald of de inkortingsregeling het overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden beperkt:

  1. Hoeveel bedraagt de maximale eigenwoningschuld rekening houdend met de bijleenregeling? De omvang van de maximale eigenwoningschuld wordt namelijk niet beperkt door de inkortingsregeling.

  2. Voor welk bedrag bestaat recht op overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden? Mogelijk herleeft het overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden voor eerder afgeloste bedragen. 

  3. Leidt de inkortingsregeling tot een beperking van het recht op overgangsrecht voor BEWS? De verwervingskosten voor de toepassing van de inkortingsregeling worden niet verminderd met de eigenwoningreserve. De eigenwoningreserve is alleen van invloed op de verwervingskosten ter bepaling van de omvang van de maximale eigenwoningschuld (stap 1).

In het standpunt worden ook twee voorbeelden uitgewerkt.

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10BIS.3

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10BIS.1

Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001

[Nieuwsbron]

Rubriek: Inkomstenbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 20 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

16

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen