X drijft een eenmanszaak die een assurantieportefeuille van Y BV beheert en ontvangt daarvoor provisies. In december 2017 vraagt X de inspecteur om vooroverleg over ruisende inbreng per 1 januari 2018 in een nog op te richten BV. De waarde van de eenmanszaak bedraagt volgens X € 195.000. De inspecteur stemt daarmee in. X richt vervolgens X BV op, bedingt een lijfrente en geeft voor 2017 € 195.000 stakingswinst en € 200.000 lijfrentepremieaftrek aan. Y BV betaalt op basis van een eindafrekening per 1 januari 2018 in totaal € 296.255 aan X. Na een signaal uit de vennootschapsbelasting en derdenonderzoek constateert de inspecteur dat X BV de onderneming feitelijk niet voortzet en legt een navorderingsaanslag op met hogere stakingswinst en zonder lijfrentepremieaftrek. In geschil is of X recht heeft op lijfrentepremieaftrek, nu hij zijn onderneming in 2017 staakt en in 2018 geen onderneming meer inbrengt in de door hem opgerichte BV.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X geen recht heeft op aftrek van de lijfrentepremie als stakingslijfrente. X staakt de onderneming in 2017 en Y BV heeft per 1 januari 2018 een eindafrekening betaald. X BV zet de onderneming niet voort en de portefeuille is anno 2018 niet op de balans opgenomen. Daardoor vindt in 2018 geen overdracht van een onderneming aan X BV plaats. De lijfrente is daarom niet bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van de onderneming en voldoet niet aan de voorwaarden voor lijfrentepremieaftrek. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.129
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.8
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 6 maart
Informatiesoort: VN Vandaag