X woont in Polen en staat van 2013 tot 2023 in Nederland ingeschreven op verschillende adressen. In de jaren 2017, 2018 en 2019 exploiteert X een klusbedrijf waarbij diverse werkzaamheden in Nederland en Polen worden verricht. Voor deze jaren doet hij geen aangifte inkomstenbelasting. Na een boekenonderzoek legt de inspecteur (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 op. In geschil is of de inkomsten in Nederland zijn belast en de hoogte van de (navorderings)aanslagen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat sprake is van een vaste inrichting in Nederland, omdat X vanuit zijn Nederlandse verblijfplaats ondernemingsactiviteiten verricht en daar overeenkomsten sluit. Ook als de woning van X niet als vaste inrichting zou kunnen worden aangemerkt, is sprake van een vaste inrichting op grond van art. 5 lid 5 Verdrag Nederland-Polen. Doel en strekking van deze bepaling is dat sprake is van een vaste inrichting in het geval dat iemand rechtsgeldig namens de onderneming kan optreden en de onderneming kan binden. De aan de Nederlandse werkzaamheden toe te rekenen inkomsten zijn in Nederland belast. Voor 2017 en 2018 accepteert de rechtbank een deel van de kosten van medewerklieden, maar voor 2019 niet, omdat deze kosten niet overtuigend zijn aangetoond. De beroepen van X zijn gegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.8
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Internationaal belastingrecht, Inkomstenbelasting
Editie: 4 juni
Informatiesoort: VN Vandaag