X is enig aandeelhouder van een BV. In 2020 schenkt X de aandelen aan zijn zoon. Tot het vermogen van de BV behoort een aantal in Nederland gelegen onroerende zaken. De BV is in 2000 opgericht en de ingebrachte onderneming – een kamerverhuurbedrijf – werd door X eerst als een eenmanszaak gedreven. In geschil is of X zich in het kader van de schenking terecht op de doorschuifregeling (art. 4.17c Wet IB 2001) beroept.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat is voldaan aan de voorwaarde dat de BV op het moment van de schenking een materiële onderneming drijft. De doorschuifregeling kan dus niet worden toegepast. X beroept zich vergeefs op onderdeel 5 van de interne Praktijkhandreiking bedrijfsopvolging vastgoedexploitanten van 1 juni 2016 van de Belastingdienst. Uit de handreiking volgt weliswaar dat een geruisloze inbreng van een vastgoedonderneming impliceert dat op dat moment sprake was van een actieve onderneming, maar uit de gedingstukken is niet op te maken wat destijds de activiteiten waren en of deze sindsdien ongewijzigd zijn gebleven. Het beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het beroep van X is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.17C
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 20 juli
Informatiesoort: VN Vandaag