X BV verzoekt eind 2023 om het opleggen van een voorlopige VPB-aanslag over 1 januari 2023 tot en met 31 maart 2023. De inspecteur legt deze op 2 december 2023 op en brengt € 1658 belastingrente in rekening, zijnde 8% over 2023 en 10% over 2024. Volgens Rechtbank Den Haag blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat bij het bepalen daarvan primair budgettaire belangen zijn meegewogen, terwijl de nadelige gevolgen voor ondernemers vrijwel geheel zijn onderbelicht. Het tarief is op regelniveau strijdig met het evenredigheidsbeginsel, zodat deze wordt verlaagd tot € 632. X BV krijgt daarnaast een verletkostenvergoeding van € 154,50 (uurtarief € 103 x 1,5), omdat haar bestuurder de zitting heeft bijgewoond. De inspecteur gaat in hoger beroep.
Hof Den Haag stelt de belastingrente vast op € 1244 door toepassing van 6% voor 2023 en 7,5% voor 2024 (HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, V-N 2026/5.21). De belastingrente kan worden berekend over de periode tussen de dagtekening van de aanslag en de uiterste datum waarop deze moet zijn betaald, ook als deze vóór het einde van de betaaltermijn is betaald (zie HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1673, V-N 2022/51.16). De door de rechtbank toegekende verletkostenvergoeding hoeft niet gematigd te worden. De bestuurder kon zijn reguliere werkzaamheden voor X BV namelijk niet uitvoeren door het bijwonen van de zitting en de reistijd. Qua tarief hoeft geen aansluiting te worden gezocht met het gebruikelijk loon als DGA. Het hoger beroep is gegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30HB
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30F
Besluit beleggingsinstellingen artikel 1
Algemene wet bestuursrecht artikel 3.4
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 20 juli
Informatiesoort: VN Vandaag