X werkt tot en met oktober 2019 als advocaat bij X BV, waarvan hij bestuurder en enig aandeelhouder is. De inspecteur nodigt X uit, herinnert en maant hem aan om aangiften IB/PVV 2019 en 2020 in te dienen. X dient geen aangiften in. De inspecteur legt ambtshalve aanslagen op met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.056 (2019) en € 70.891 (2020) en legt verzuimboetes van € 385 per jaar op. Bij uitspraak op bezwaar vermindert de inspecteur het belastbaar inkomen tot € 68.056 (2019) en € 24.891 (2020) en stelt het inkomen uit sparen en beleggen op nihil. In geschil is of de ambtshalve opgelegde aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 niet te hoog zijn vastgesteld en of de verzuimboetes terecht zijn opgelegd.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X niet de vereiste aangiften heeft gedaan, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van art. 27e AWR van toepassing is. De inspecteur baseert zijn schatting voor 2019 op de ingediende aangiften loonbelasting van X BV en voor 2020 op overzichten van de Rabobank en de Sociale Verzekeringsbank. De rechtbank acht deze schattingen redelijk. X doet met zijn niet-onderbouwde stelling dat hij geen inkomsten heeft genoten niet blijken dat de aanslagen te hoog zijn. Van afwezigheid van alle schuld is geen sprake, nu X de herinneringen en aanmaningen persoonlijk heeft ontvangen en dus kon weten dat de aangiften niet zijn ingediend.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 1 september
Informatiesoort: VN Vandaag