X is als vertegenwoordiger in loondienst van een NV in België. De NV vervaardigt parketvloeren, deuren, gevelbekleding en houten traptreden. Het werkgebied van X is Nederland. De NV gaat in maart 2017 failliet. Volgens de inspecteur ontvangt X via zijn bankrekening regelmatig grote bedragen, die in zijn IB-aangiften niet als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) zijn verantwoord. In geschil zijn de navorderingsaanslagen over 2014 tot en met 2017, alsmede de vergrijpboeten (2016 en 2017). X stelt dat de bedragen niet aan hem toekomen, maar contant zijn doorbetaald aan de NV, die zelf geen Nederlandse bankrekening heeft.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de ontvangsten als belastbaar inkomen van hemzelf kwalificeren en dat X dus niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Vanaf zijn bankrekening zijn ook diverse kosten betaald, de ontvangsten blijven tot ver na het faillissement van de NV doorgaan en de vermeende afspraken met de NV zijn ook niet schriftelijk vastgelegd. Voor alle jaren beschikt de inspecteur over een nieuw feit. Gelet op de contante opnamen van € 60.980 (2014), € 235.640 (2015), € 188.700 (2016) en € 276.850 (2017) blijft op de bankrekening € 51.095 (2014), € 81.230 (2015), € 61.263 (2016) en € 73.262 (2017) achter. De schatting van de inspecteur op basis van de bruto-ontvangsten minus de betaalde kosten en nageheven BTW (zie 2023/08953) is redelijk en resulteert in ROW-correcties van € 75.889 (2014), € 244.340 (2015), € 187.941 (2016) en € 274.545 (2017). De wegens undue delay gematigde boeten van € 36.000 (2016) en € 44.000 (2017) zijn passend en geboden.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.90
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67E
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 1 september
Informatiesoort: VN Vandaag