De auto van X staat op 8 november 2023 om 10:21 uur geparkeerd in een betaald-parkerengebied. Parkeercontroleurs constateren dat geen parkeerbelasting is voldaan en leggen een naheffingsaanslag op van € 74,40 (€ 1,50 parkeerbelasting plus € 72,90 kosten). X overlegt een screenshot waaruit blijkt dat hij om 10:23 uur via een parkeerapplicatie € 0,42 aan parkeerbelasting heeft betaald. X verklaart dat hij de auto heeft geparkeerd om iets af te geven en al lopende richting zijn bestemming het kenteken heeft aangemeld. X maakt bezwaar en verzoekt om een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen. De heffingsambtenaar verklaart het bezwaar ongegrond en stelt het dwangsombesluit gedurende de beroepsprocedure vast.
In geschil is of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht heeft opgelegd en of X recht heeft op een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen op bezwaar.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de pardontijd ziet op het zich direct van het voertuig naar de parkeerautomaat begeven en het onmiddellijk voldoen van parkeerbelasting. X heeft ervoor gekozen het voertuig te verlaten en pas later de parkeerapplicatie te starten. De verstreken twee minuten vallen niet onder de pardontijd en het risico van niet-tijdige voldoening rust op X. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag daarom terecht opgelegd. De rechtbank verklaart het dwangsomverzoek niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, nu de heffingsambtenaar het dwangsombesluit gedurende de beroepsprocedure heeft vastgesteld.
Wetingang:
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Belastingen van lagere overheden
Editie: 1 september
Informatiesoort: VN Vandaag