Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X de van de bank overgenomen lening van € 313.000 niet als negatief ROW kan afwaarderen ten laste van zijn inkomen. X had namelijk als schuldeiser de andere borgstellers kunnen aanspreken om zijn verlies op de vordering op Z BV vergoed te krijgen.

X houdt via Y BV 25% van de aandelen in Z BV. X heeft zich, samen met anderen, borg gesteld voor de door de bank aan Z BV verstrekte leningen. Gezien de minder florissante prognoses met betrekking tot Z BV geeft de bank in 2019 aan dat zij de leningen niet wil verlengen. Partijen besluiten vervolgens om over te gaan tot cessie van de leningen. X verkrijgt daarop een vordering op Z BV van € 313.000. De eerder ten behoeve van bank aangegane borgstellingen gaan daarbij als nevenrechten over met de vorderingen. In zijn IB-aangifte 2020 waardeert X onder andere deze vordering af. De inspecteur corrigeert dit. X gaat in beroep.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X de van de bank overgenomen lening van € 313.000 niet als negatief ROW kan afwaarderen ten laste van zijn inkomen. X had namelijk als schuldeiser de andere borgstellers kunnen aanspreken om zijn verlies op de vordering op Z BV vergoed te krijgen. Nu niet aannemelijk is geworden dat de borgen geen verhaal boden om de vordering van X te voldoen, is geen sprake van een aftrekbaar verlies op de vordering op Z BV. Dat X er voor heeft gekozen om de andere borgstellers niet aan te spreken, omdat zij onderling hadden afgesproken over en weer de borgstellingen niet in te roepen, moet worden aangemerkt als een onzakelijke afspraak en moet voor het bepalen van het resultaat uit ter beschikkingstelling worden genegeerd. Het gelijk is aan de inspecteur.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.92

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 1 september

Informatiesoort: VN Vandaag

13

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen