Het object van de belastingheffing is voor een IB-ondernemer en een VPB-plichtig lichaam in de basis hetzelfde. De totaalwinst wordt in de heffing betrokken en met toepassing van de regels van goed koopmansgebruik toegerekend aan de jaren.

Vervolgens gelden specifieke regels voor de winstbepaling. Die regels zijn voor de IB-ondernemer en een VPB-plichtig lichaam níét volledig gelijk. Een deel van de verschillen is goed verklaarbaar. Een IB-ondernemer zal zich doorgaans minder bezighouden met winstdrainage, zodat het logisch is dat art. 10a Wet VPB 1969 geen tegenhanger heeft in de Wet IB 2001. Ook is van belang dat lichamen die onder art. 2 lid 6 Wet VPB 1969 vallen worden geacht met hun gehele vermogen een onderneming te drijven, terwijl een natuurlijk persoon de omvang van zijn ondernemingsvermogen bepaalt aan de hand van de vermogensetiketteringsregels en bovendien verschillende subjectieve ondernemingen kan hebben.

Vanuit het concept dat de te belasten totaalwinst voor de Wet IB 2001 en de Wet VPB 1969 in beginsel gelijk moet zijn, zouden verschillen alleen moeten worden gemaakt als zij logisch verklaarbaar zijn of voortvloeien uit de verschillende aard van beide belastingen. Er zijn echter steeds meer regelingen waarvoor dit niet opgaat.

Een verschil waarvoor ik bijvoorbeeld geen goede verklaring zie betreft het gebroken boekjaar. Voor de IB-ondernemer bepaalt art. 3.66 lid 2 Wet IB 2001 dat de winst wordt beschouwd als winst van het jaar waarin het boekjaar eindigt. In de Wet VPB 1969 ontbreekt een vergelijkbare bepaling. Investeert een ondernemer met een gebroken boekjaar in een bedrijfsmiddel, dan kan onder omstandigheden recht bestaan op een investeringsaftrek (art. 3.40 Wet IB 2001). De relevante investeringsbedragen worden per kalenderjaar geïndexeerd. Op grond van art. 3.51 Wet IB 2001 gelden de bedragen van het tijdvak waarin de investering plaatsvindt. Bij een gebroken boekjaar betekent dit dat de investeringen van een IB-ondernemer moeten worden gesplitst: een deel waarop de oude bedragen van toepassing zijn en een deel waarop de nieuwe bedragen van toepassing zijn. Voor de VPB werkt dit anders. In art. 7c Uitv.besl. VPB 1971 is bepaald dat voor een VPB-plichtig lichaam met een gebroken boekjaar moet worden aangesloten bij de bedragen die gelden aan het begin van het boekjaar, en gelden dus niet de geïndexeerde bedragen. Beide regelingen zorgen ervoor dat belastingplichtigen, nadat de investering is gedaan, niet worden geconfronteerd met andere bedragen. Maar voor IB-ondernemers gelden de bedragen van het moment van investeren en voor VPB-plichtige lichamen gelden de regels aan het begin van het boekjaar. De regeling voor de IB-onderneming is daarmee praktisch lastiger uitvoerbaar, maar conceptueel zuiverder. Waaróm op dit punt onderscheid tussen de IB-ondernemer en het VPB-plichtige lichaam wordt gemaakt, is mij overigens niet duidelijk. Daarmee kom ik terug bij het begin van deze column: verschillen tussen de objectieve belastingplicht in de IB en de VPB moeten mijns inziens beperkt blijven tot verschillen die logisch verklaarbaar zijn of voortvloeien uit de verschillende aard van beide belastingen. En anders: geen verschil maken.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Inkomstenbelasting, Vennootschapsbelasting

18

Gerelateerde artikelen