Op 16 januari 2026 oordeelde de Hoge Raad dat het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting onverbindend is: het percentage is te hoog. Dit arrest ziet op belastingrente die moet worden betaald. Maar welk rentepercentage geldt als de Belastingdienst juist belastingrente aan een belastingplichtige moet vergoeden?

De gevolgen van het belastingrente-arrest voor vergoedingen van rente

Sinds 2014 kende de belastingrente twee tarieven: een hoog tarief voor de vennootschapsbelasting en enkele verwante belastingen, en een lager tarief voor alle overige belastingen. Het hoge tarief liep op tot 10% en leidde tot massaal bezwaar.

De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2026:59) oordeelde dat het hoge tarief in strijd was met zowel het evenredigheidsbeginsel als het gelijkheidsbeginsel. Vennootschapsbelastingplichtigen werden zonder toereikende rechtvaardiging zwaarder belast dan andere belastingplichtigen. Naar aanleiding van het arrest heeft de Belastingdienst het reguliere rentepercentage weer als uitgangspunt genomen.

Dat roept de vraag op of dit aangepaste percentage ook geldt in de gevallen waarin belastingrente moet worden vergoed. Inmiddels is duidelijk dat de Belastingdienst ook bij rentevergoedingen het reguliere percentage toepast.

Werkt onverbindendheid van een bepaling beide kanten op?

In 2023 kwam de te betalen belastingrente lager uit dan het volgens het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi) zou moeten zijn. In dat jaar bedroeg de VPB-belastingrente, als het Bbi zou worden gevolgd, 10,5%. De staatssecretaris achtte dit op dat moment ongewenst en stelde in een brief van 23 februari 2023, nr. 2023-0000039143, het hoge belastingrentetarief daarom omlaag bij naar 8%. Althans, voor zover er rente betaald moest worden. Moest er rente vergoed worden, dan bleef de rente 10,5%. 

Met de verwerking van het arrest van januari 2026 is dat anders. Ook al is het Bbi nog steeds ongewijzigd, toch wordt maar het lage percentage vergoed. Tussen de goedkeuring uit 2023 en het arrest uit 2026 zit wel een wezenlijk verschil. De tijdelijke verlaging van de te betalen rente van 10,5% naar 8% was gebaseerd op begunstigend beleid. Art. 1 letter b Bbi, waarin het hoge belastingrentetarief is vastgelegd, is opgenomen in lagere wetgeving en is als zodanig door de Hoge Raad onverbindend verklaard. De vraag is dan of die onverbindendheid ook ten nadele van de belastingplichtige kan werken, of dat de belastingplichtige nog steeds een beroep kan doen op het hoge tarief. Het hoge tarief staat immers nog steeds in de tekst van het besluit.

In de literatuur wordt verdedigd dat een onverbindend verklaarde bepaling niet per definitie in alle gevallen haar rechtskracht verliest. De formulering van de Hoge Raad in het arrest van 16 januari 2026 ("artikel 1, letter b, van het Besluit is onverbindend en moet buiten toepassing blijven") laat ruimte voor discussie. Het ministerie gaat ervan uit dat de bepaling volledig onverbindend is, ook voor gevallen waarin zij gunstig uitwerkt voor belastingplichtigen. In dat geval resteert mogelijk slechts een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Volgens de wetgever kan een burger zich in beginsel niet beroepen op een onverbindende regel, al kan het vertrouwensbeginsel meebrengen dat daarvan toch wordt afgeweken. Dit beginsel houdt in dat gerechtvaardigde verwachtingen die door de overheid zijn gewekt, moeten worden gehonoreerd. De Hoge Raad heeft eerder al geoordeeld dat belastingplichtigen zich onder omstandigheden op dergelijke verwachtingen mogen beroepen.

Hoewel het Bbi geen begunstigend beleid maar lagere regelgeving bevat, is verdedigbaar dat ook hier een beroep op het vertrouwensbeginsel openstaat. Met name tot de datum van de uitspraak van de Hoge Raad (16 januari 2026) mochten belastingplichtigen er redelijkerwijs vanuit gaan dat het in het Bbi opgenomen hogere rentepercentage zou gelden. Daarom acht ik een beroep op het vertrouwensbeginsel voor een hogere rentevergoeding zeker niet kansloos.

Wanneer bestaat recht op een vergoeding van belastingrente?

Een rentevergoeding is iets anders dan een teruggaaf van eerder in rekening gebrachte rente. Belastingrente wordt slechts zelden vergoed (zie Praktische Tooling, adviestekst form-306), maar dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer de Belastingdienst te laat een (voorlopige) aanslag oplegt waaruit een teruggaaf volgt (artt. 30fa en 30fd AWR).

Gelijkheidsbeginsel?

Het arrest van 16 januari 2026 heeft vooral betekenis voor vennootschapsbelastingplichtigen. Hoewel de Hoge Raad in dat arrest ook oordeelde dat het verschil tussen de rentepercentages in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, verwacht ik niet dat andere belastingplichtigen met succes aanspraak kunnen maken op het hogere percentage. Als al recht bestaat op een hogere rentevergoeding, zal dat vermoedelijk voortvloeien uit het vertrouwensbeginsel en daarmee beperkt blijven tot een kleine groep vennootschapsbelastingplichtigen.

Conclusie

Het antwoord op de vraag welk rentepercentage geldt als de Belastingdienst VPB-belastingrente moet vergoeden, is niet geheel duidelijk, maar ik acht het verdedigbaar  dat vennootschapsbelastingplichtigen op basis van het vertrouwensbeginsel alsnog aanspraak kunnen maken op het hogere tarief.

Om verdere discussies te voorkomen verdient het aanbeveling het Besluit belasting- en invorderingsrente zo spoedig mogelijk aan te passen.

Informatiesoort: Column

Rubriek: Vennootschapsbelasting

Focus: Focus

63

Gerelateerde artikelen