Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur de belaste winst bij inbreng van onroerende zaken te hoog vaststelt door uit te gaan van vermeende marktwaarden in plaats van WOZ-waarden.

X BV en Y BV brengen hun maatschapsonderneming in Z BV in. Tot de ingebrachte activa behoort een twee/derde onverdeeld aandeel in 31 registergoederen. De inspecteur legt na een boekenonderzoek een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 op omdat de inbreng niet kwalificeert voor geruisloze omzetting op grond van art. 3.65 Wet IB 2001. De inspecteur bepaalt de belaste winst bij inbreng op basis van een document met "marktwaarden" dat hij aantreft tijdens het boekenonderzoek. Dit document is afkomstig van de advocaat van de verkopende partij en dient als onderhandelingsstuk. De inspecteur stelt het belastbaar bedrag na bezwaar vast op € 97.812.

In geschil is of de inspecteur de belaste winst bij inbreng van onroerende zaken op de juiste waarde vaststelt.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat art. 3.65 Wet IB 2001 niet van toepassing is omdat het om BV's gaat en niet om IB-ondernemers. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De rechtbank oordeelt verder dat de door de inspecteur gehanteerde "marktwaarden" niet door taxatie tot stand komen maar onderdeel zijn van onderhandelingen. Omdat geen van beide partijen taxatiewaarden overlegt, sluit de rechtbank in goede justitie aan bij de WOZ-waarden van in totaal € 326.000 en vermindert de belastbare winst tot € 85.149.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.65

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8

Instantie: Rechtbank Gelderland

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Inkomstenbelasting

Editie: 20 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

12

Gerelateerde artikelen