X oefent het beroep van vloerenlegger uit en sluit bij De Zeeuwse Verzekeringen een arbeidsongeschiktheidsverzekering 'Zelfstandigverzekerd' af. De polisvoorwaarden bepalen dat van arbeidsongeschiktheid uitsluitend sprake is bij objectief medisch vast te stellen stoornissen in directe relatie tot ziekte of ongeval, waardoor de verzekerde voor ten minste 25% ongeschikt is voor de op het polisblad vermelde werkzaamheden. Een arbeidsdeskundig advies concludeert dat X in het geheel niet geschikt is om zijn eigen beroepswerkzaamheden uit te voeren. X ontvangt vanaf 2011 uitkeringen van de verzekeraar. In 2022 ontvangt X een uitkering van € 34.643. De inspecteur rekent deze uitkering tot het belastbaar inkomen uit werk en woning en legt de aanslag IB/PVV 2022 op naar een belastbaar inkomen van € 33.396. In geschil is of de uitkering uit de beroepsarbeidsongeschiktheidsverzekering kwalificeert als belastbare periodieke uitkering ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de polisvoorwaarden een direct oorzakelijk verband vereisen tussen ziekte of ongeval en de uitkering, aangezien arbeidsongeschiktheid uitsluitend bestaat bij objectief medisch vast te stellen stoornissen in directe relatie tot ziekte of ongeval. De uitkering kwalificeert daarmee als periodieke uitkering ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval in de zin van art. 3.100 lid 1 onderdeel b, Wet IB 2001. Dat X uitsluitend ongeschikt is voor zijn beroep als vloerenlegger en wellicht andere arbeid kan verrichten, doet daar niet aan af. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.1
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.100
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.124
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 19 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag