Een dochtermaatschappij die uit een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting wordt ontvoegd, kan niet met terugwerkende kracht kiezen voor toepassing van de Regeling functionele valuta (Rfv). Dat blijkt uit een standpunt van de Kennisgroep bijzondere winstbepalingen VPB. Van een tijdig verzoek zou wel sprake zijn geweest indien dit reeds in het boekjaar vóór de ontvoeging was ingediend.

In de voorgelegde casus wordt Y BV per 15 januari 2025 ontvoegd uit een fiscale eenheid. Op 16 maart 2025 verzoekt Y BV om vanaf de ontvoegingsdatum haar belastbare bedrag in een andere geldeenheid dan de euro te mogen berekenen. Volgens de kennisgroep is dat verzoek te laat gedaan.

Art. 2 lid 2 Rfv bepaalt dat een verzoek in beginsel pas effect heeft vanaf het jaar volgend op het jaar waarin het verzoek wordt ingediend. Alleen als het verzoek wordt gedaan in het jaar waarin de belastingplicht aanvangt, kan de regeling direct vanaf dat aanvangstijdstip gelden. Die uitzondering is hier niet van toepassing, omdat een ontvoegde dochtermaatschappij ook tijdens de fiscale eenheid subjectief belastingplichtig blijft voor de vennootschapsbelasting. Van een aanvang van de belastingplicht is dus geen sprake.

Wetingang:

Regeling functionele valuta artikel 2

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 15

[Nieuwsbron]

Rubriek: Vennootschapsbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 19 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

5

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen