De Kennisgroep IBR VPB & winst stelt dat de vrijheid van kapitaalverkeer zich niet verzet tegen toepassing van de vergelijkbare-functie-uitzondering ex. art. 4 lid 3 onderdeel b Wet DB 1965. Een buitenlands beleggingsfonds dat een met een fiscale beleggingsinstelling (FBI) vergelijkbare functie vervult, heeft geen recht op de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting. Het standpunt vormt een vervolg op het Kennisgroepstandpunt Belastingdienst, KG:024:2025:7, V-N 2025/33.11.

In de voorgelegde casus belegt X, een in een andere EU-lidstaat gevestigd beleggingsfonds, indirect via een Nederlands lichaam en daarnaast rechtstreeks in Nederlands vastgoed. X beheert collectief vermogen van beleggers en is in de vestigingsstaat onderworpen aan een fiscaal neutraal regime voor collectief beleggen. Naar aanleiding van het eerdere Kennisgroepstandpunt (V-N 2025/33.11) beroept X zich op de vrijheid van kapitaalverkeer. X stelt dat zij objectief vergelijkbaar is met een regulier VPB-plichtig lichaam, omdat een FBI sinds 2025 niet meer rechtstreeks in Nederlands vastgoed mag beleggen.

De Kennisgroep volgt die redenering niet. X is objectief vergelijkbaar met een FBI. Dat een FBI niet langer rechtstreeks in Nederlands vastgoed mag beleggen, doet volgens de Kennisgroep niet af aan die vergelijkbaarheid.

Wetingang:

Wet op de dividendbelasting 1965 artikel 4

Wet op de dividendbelasting 1965 artikel 4

Wet op de dividendbelasting 1965 artikel 4

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 28

[Nieuwsbron]

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Dividendbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 16 september

Informatiesoort: VN Vandaag

3

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen