A is enig aandeelhouder van X BV. A verstrekt in 2008 in privé een lening van € 1.000.000 aan een derde, die het bedrag doorleent. De lening is op de einddatum in 2011 niet afgelost, sinds 2014 vindt geen rentebetaling meer plaats en er zijn geen zekerheden bedongen. X waardeert in zijn aangiften IB/PVV 2016 en 2017 andere vorderingen op de uiteindelijke schuldenaar af tot € 1. Eind 2017 brengt X de vordering uit 2008 voor de nominale waarde in in X BV. X BV verstrekt daarnaast twee leningen van € 1.500.000 en € 500.000 aan met de schuldenaar gelieerde personen. Ook op deze leningen blijven aflossingen en rentebetalingen grotendeels uit en bedongen zekerheden oefent X BV niet uit. In de aangifte Vpb 2020 waardeert X BV de drie vorderingen gedeeltelijk af voor in totaal € 647.580. De inspecteur corrigeert alle afwaarderingen.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de vordering uit 2008 ten tijde van de inbreng in X BV al een waarde van nihil heeft, gelet op het uitblijven van aflossingen en rentebetalingen, het ontbreken van zekerheden en de eigen inschatting van A in zijn aangiften IB/PVV. Afwaardering in 2020 is daarom niet mogelijk. X BV doet niet de vereiste aangifte, nu het niet-geheven belastingbedrag absoluut en relatief aanzienlijk is en X BV zich hiervan bewust moet zijn. De omkering en verzwaring van de bewijslast geldt voor de gehele aanslag. De inspecteur kwalificeert de overige twee leningen in redelijkheid als onzakelijke leningen en X BV doet niet blijken dat de correcties onjuist zijn. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.8
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Vennootschapsbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 11 september
Informatiesoort: VN Vandaag