X BV houdt alle aandelen in Y BV. Ten behoeve van een joint venture met Z BV brengen beide partijen hun deelnemingen in bij een gezamenlijke entiteit, waarbij een accountantsbureau als adviseur optreedt. Het accountantsbureau stelt een concept-aandeelhoudersovereenkomst op met een exitbepaling, maar finaliseert deze niet. X BV beëindigt de samenwerking. Na langdurige onderhandelingen koopt X BV de aandelen in Y BV terug tegen een meerprijs van € 671.660. X BV stelt het accountantsbureau aansprakelijk wegens schending van de zorgplicht. Partijen sluiten een vaststellingsovereenkomst waarbij het accountantsbureau € 275.000 betaalt. X BV voert dit bedrag in de aangifte VPB 2020 op als vrijgesteld winstbestanddeel. De inspecteur rekent de vergoeding tot de belastbare winst.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de vergoeding voortvloeit uit de afronding van een geschil over de niet verleende adviesdiensten van het accountantsbureau. Daarmee vormt de contractuele adviesrelatie de rechtstreekse oorzaak van de vergoeding en niet het aandeelhouderschap van X BV. Het voordeel laat zich niet rechtstreeks verklaren door de deelnemingsverhouding, ook al speelt het aandeelhouderschap een rol bij de adviesdiensten. De deelnemingsvrijstelling is daarom niet van toepassing en de inspecteur rekent de vergoeding terecht tot de belastbare winst.
Wetingang:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 13
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 13
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Vennootschapsbelasting
Editie: 3 september
Informatiesoort: VN Vandaag