Op 24 juni 2026 publiceerde de Europese Commissie (EC) de ‘Tax Omnibus’ met daarin onder meer een voorstel tot aanpassing van de Moeder-dochterrichtlijn (MDR).

Het geheel wordt door de EC zélf geduid als een ‘landmark tax simplification package’. Op onderdelen lijkt het echter eerder het tegenovergestelde effect te zullen bereiken. Toepassing van een deelnemings- en inhoudingsvrijstelling wordt bijvoorbeeld juist complexer, ook in een binnenlandse situatie.

De Tax Omnibus voorziet in het schrappen van het minimumbezitspercentage uit de MDR. Hetzelfde geldt voor de Interest- en royaltyrichtlijn (IRR), maar daar wordt ook voorgesteld om EU-heffing te verzekeren via een bronheffing of aftrekbeperking. Bij de MDR ziet de EC daartoe geen noodzaak: “No similar measure is necessary to address risks of double non-taxation of profit distributions (dividends), since such distributions are already taxed within the Union, either at the level of the distributing company or at the level of the recipient.” Beredeneerd vanuit de MDR – waarvan de reikwijdte beperkt is (en blijft) tot landsgrensoverschrijdende intra-EU-situaties – een begrijpelijke opmerking.

Veel lidstaten, ook Nederland, geven echter een ruimere reikwijdte aan hun deelnemingsvrijstelling en inhoudingsvrijstelling. Zij passen deze ook toe in binnenlandse en derdelandsituaties. Het lijkt aannemelijk dat zij er – indien de EU-wetgever de voorstellen tot richtlijn maakt – bij implementatie voor zullen kiezen de minimumbezitseis ook te schrappen voor binnenlandse situaties en daarmee – via de verkeersvrijheden – ook voor derdelandsituaties. Heffing binnen de EU is dan géén gegeven.

De EU als doorstroom-jurisdictie?

Binnen de reikwijdte van het Unierecht verlangt elke toepassing van een inhoudings- en deelnemingsvrijstelling – nu en dadelijk – ook een Unierechtelijke misbruikanalyse. Zie T Danmark, V-N 2019/14.11, Nordcurrent, V-N 2025/18.11, John Cockerill, V-N 2025/16.14 en C. Wisman, ‘EU GAAR in deelnemingsvrijstelling en irrelevante EC-statements’ (TaxLive 23 april 2025). Deze analyse geldt niet alleen voor landsgrensoverschrijdende situaties. Oók bepaalde binnenlandse situaties vallen binnen het bereik via art. 6 ATAD of zaak C-28/95 (Leur Bloem, BNB 1998/32). Daar waar lidstaten (straks) een ruimere reikwijdte geven aan secundair Unierecht, geven zij ook een ruimer toepassingsbereik van het Unierechtelijke antimisbruik-leerstuk. Bij rechtsmisbruik – zoals geduid door het Hof van Justitie – kan geen deelnemings- of inhoudingsvrijstelling worden toegepast.

Het volledig schrappen van het bezitsvereiste maakt toepassing van die regelingen volledig conditioneel; de voorwaarde van géén rechtsmisbruik conform de Unierechtelijke doctrine. Het verlangt steeds toetsing van het subjectieve en objectieve element en zorgt daarmee voor complexiteit, ook omdat doel en strekking van zowel de MDR als de vrijheden niet geheel duidelijk zijn.

Indien de aangehaalde passage niet als een (onterechte) aanname moet worden gelezen maar (ook) als een norm, dan ligt een heffing op EU in- of uitgaande winstuitkeringen voor de hand ter voorkoming van doorstroom, in zowel kunstmatige als reële situaties. Het zou dan tevens nadere inkleuring betekenen van doel en strekking van de MDR. Het Hof van Justitie zal zich dan moeten buigen over de vraag of dergelijke belemmerende heffingen – via nationale wet of richtlijn – wel houdbaar zijn, ook onder het vrije kapitaalsverkeer met derde staten.

Het BNC-fiche met de Nederlandse kabinetsappreciatie wordt eind augustus verwacht. Een analyse van de (mogelijke) impact van de Tax Omnibus op de deelnemings-en inhoudingsvrijstelling kan daarin wat mij betreft niet ontbreken. We gaan het zien.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Europees belastingrecht, Vennootschapsbelasting

13

Gerelateerde artikelen