Q houdt de aandelen in A LLC. Sinds het overlijden van haar echtgenoot in 2020 houdt zij ook de aandelen in X BV. X BV en A LLC sluiten een overeenkomst op grond waarvan A LLC een lening van € 3 mln verstrekt aan X BV en een kredietfaciliteit van € 2 mln in de vorm van een rekening-courant. In 2020 stelt A LLC een factuur van € 2,2 mln op voor X BV ter zake van door Q verrichte en nog te verrichten werkzaamheden en door haar gemaakte onkosten. De factuur is niet daadwerkelijk betaald maar is volgens de jaarrekening van Y BV, een gevoegde dochter van X BV, geboekt in rekening-courant tussen Y BV en X BV. De inspecteur is van mening dat het door A LLC in rekening gebrachte bedrag van € 2,2 mln niet aftrekbaar is van de winst van X BV.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat de op de factuur vermelde kosten van € 2,2 mln daadwerkelijk zijn gemaakt. Ook is niet aannemelijk dat deze kosten zakelijk zijn. De inspecteur heeft het bedrag van € 2,2 mln terecht niet in aftrek toegelaten. De rechtbank overweegt daarbij dat het zeer ongebruikelijk is dat een factuur wordt opgemaakt die ziet op een periode van vijf jaren voor werkzaamheden in het verleden, heden en de toekomst. Er bestaat terecht twijfel over het realiteitsgehalte van deze factuur. Hetgeen Y naar voren brengt, is volgens de rechtbank niet afdoende. Verder is van belang dat de factuur niet daadwerkelijk is betaald, maar is geboekt in rekening-courant, wat ongebruikelijk is in derdenverhoudingen.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.25
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Vennootschapsbelasting
Editie: 1 september
Informatiesoort: VN Vandaag